Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 46.940 - 3-08-2010

Samenvatting

De eerste en vierde verzoekende partij voldoen niet aan de voorwaarden van artikel 12bis, § 1, tweede lid, 1° of 2° Vw. De raadsman van de verzoekende partij stelt uitdrukkelijk dat de eerste en vierde verzoekende partij zich in buitengewone omstandigheden bevinden die hun verhinderen terug te keren naar hun land om het vereiste visum aan te vragen bij de bevoegde Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger. De stad Antwerpen moest zich dus onverwijld vergewissen van de ontvankelijkheid van de aanvraag bij de staatssecretaris of zijn gemachtigde. Het kwam niet aan de gemachtigde van de burgemeester toe om een standpunt in te nemen over de ontvankelijkheid van de ingediende aanvraag, maar aan de gemachtigde van de staatssecretaris. De tweede verwerende partij heeft haar bevoegdheid dus overschreden door de verblijfsaanvraag onontvankelijk te verklaren terwijl in casu de gemachtigde van de staatssecretaris bevoegd is om een standpunt in te nemen over de ontvankelijkheid van de ingediende aanvraag tot verblijf van de eerste en de vierde verzoekende partij. Deze vaststelling volstaat om te besluiten tot de nietigheid van de eerste en de vierde bestreden beslissing. Er is dus geen noodzaak meer tot onderzoek van de in het verzoekschrift opgeworpen middelen. De beslissingen van de gemachtigde van de stad Antwerpen tot onontvankelijkheid van de verblijfsaanvraag ten aanzien van de eerste en de vierde verzoekende partij worden vernietigd.