Samenvatting
Ter zitting maakt de verzoekster een kopie over van het arrest van de Raad van State dat het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, waarin de asielaanvraag van verzoekster geweigerd werd, gedeeltelijk casseert. Uiteraard kan het de verwerende partij niet kwalijk genomen worden dat het geen rekening gehouden heeft met een arrest dat uitgesproken werd op een latere datum dan de bestreden beslissing. Immers, de wettigheid van een beslissing moet in principe beoordeeld worden op basis van de elementen waarvan de overheid kennis had op het moment van het nemen van de beslissing. Niettemin is de bestreden beslissing gebaseerd op het feit dat het cassatieberoep tegen het arrest van de RvV over de asielaanvraag, hangende was, na een beschikking houdende toelaatbaarheid van het cassatieberoep. De verwerende partij stelde hierover dat een cassatieberoep geen schorsende werking heeft en dat het geen enkel verblijfsrecht creëert in hoofde van verzoekster en concludeerde dat niets verzoekster belet om terug te keren naar zijn herkomstland. Echter, het cassatiearrest heeft gevolgen “ex tunc” en plaatst verzoekster opnieuw in de situatie waarin ze zich bevond vóór het arrest van de RvV over de asielaanvraag. Tengevolge van de retroactieve werking van het cassatiearrest wordt de asielaanvraag van verzoekster opnieuw in volle rechtsmacht behandeld door de RvV, waardoor de verwerende partij, had zij dit geweten op het ogenblik van de beslissing, haar beslissing nooit op dezelfde manier had kunnen motiveren met betrekking tot de gevolgen van een asielprocedure op het bestaan van buitengewone omstandigheden.