Samenvatting
Het staat niet ter discussie dat de motieven waarop de bestreden beslissing gebaseerd is (twijfels met betrekking tot het reisdoel, het ontbreken van het bewijs van voldoende middelen van bestaan, het feit dat niet werd aangetoond dat een medische reisverzekering werd afgesloten en de stelling dat er onvoldoende garanties inzake terugkeer naar het land van verblijf zijn) geen verband houden met de in artikel 43 van de Vreemdelingenwet voorziene gronden om een familielid van een burger van de Unie de binnenkomst te weigeren. Verzoekster stelt dan ook terecht dat de motieven waarop de bestreden beslissing gebaseerd is in casu niet kunnen aangewend worden om het gevraagde visum niet toe te staan en dat de motivering van de bestreden beslissing het gevolg is van een incorrecte toepassing van artikel 32 van de verordening 810/2009/EG en een miskenning van artikel 1.2.a van deze verordening. De stelling van verweerder dat verzoekster slechts te kennen gaf haar echtgenoot naar België te willen vergezellen om toeristische redenen doet geen afbreuk aan voorgaande vaststelling. Het feit dat verzoekster, indien zij tot een binnenkomst en een kort verblijf in het Rijk wordt toegelaten, gebruik zou kunnen maken van een recht om tot een verblijf van meer dan drie maanden te worden toegelaten, laat in casu evenmin toe het inreisrecht van verzoekster te beknotten. Een schending van de materiële motiveringsplicht werd aangetoond.