Samenvatting
De Raad stelt vast dat de motivatie omtrent de intrekking van verblijf van de vader (eerste verzoekende partij) afdoende is. Uit het administratief dossier blijkt immers dat de vader fraude gepleegd heeft. De geboorteplaats en nationaliteit die verzoeker verklaarde te hebben op het moment van zijn asielaanvraag stemt niet overeen met de geboorteplaats en nationaliteit vermeld in het paspoort, dat verzoeker pas recentelijk voorgelegd heeft. Door dit gedrag schendt de vader de openbare orde en kan er een einde gesteld worden aan zijn verblijf. Met betrekking tot het ingeroepen recht om gehoord te worden, merkt de Raad op dat verzoeker geen enkele verklaring gaf voor de door hem gepleegde fraude op het moment dat hij zijn echt paspoort overmaakte. In die omstandigheden is de Raad van mening dat het niet toekwam aan de verwerende partij, die redelijkerwijze kon vaststellen dat er fraude gepleegd was, het initiatief te nemen om de verzoeker te contacteren en hem een verklaring te vragen voor de gepleegde fraude, alvorens de bestreden beslissing te nemen. Door zijn gedrag heeft verzoeker zichzelf van de mogelijkheid ontnomen om zich te beroepen op het recht om gehoord te worden. De bestreden beslissing houdt evenmin een schending in van artikel 8 EVRM. In de bestreden beslissing wordt tevens gesteld dat de kinderen (tweede en derde verzoekende partijen) de situatie van hun vader volgen, hoewel ze zelf geen fraude gepleegd hebben. De Raad merkt op dat de redenen voor deze beslissing niet verder worden toegelicht en dat evenmin verklaard wordt waarom ze het statuut van hun moeder niet volgen, die het meest gunstige verblijfsstatuut heeft. De verwerende partij heeft in zijn beslissing ook geen belangenafweging gemaakt tussen het doel van de bestreden beslissingen en de ernst van de inbreuk op hun recht op een privé- en gezinsleven. De beslissingen ten aanzien van de kinderen worden vernietigd.