Samenvatting
De Raad ziet niet in op welke manier het bij de beoordeling van de voorgelegde arbeidsovereenkomst relevant is te verwijzen naar het feit dat de verzoekende partij op het moment van het afsluiten van het contract niet meer over een arbeidsvergunning beschikte en dat zij noch op de startdatum noch op enig moment volgend op de startdatum de toelating had om te werken. Er dient immers op gewezen te worden dat het systeem opgezet in de instructie van 19 juli 2009 per definitie vereist dat een arbeidsovereenkomst wordt afgesloten en/of voorgelegd in een periode dat tewerkstelling voor de betrokken vreemdelingen niet (langer) toegelaten is, daar zij zich in illegaal verblijf bevinden. De Raad wijst erop dat het tussenkomen van de instructie van 19 juli 2009 niets verandert aan het feit dat arbeidscontracten gesloten door personen die zich in illegaal verblijf bevinden en niet over een arbeidsvergunning beschikken, net als arbeidscontracten gesloten vóór 19 juli 2009, aangegaan zijn door personen die niet over een arbeidsvergunning beschikken. De Raad ziet dan ook niet in waarom er voor een contract gesloten op of na 19 juli 2009 wel van uitgegaan kan worden dat de werknemer onder zulk contract kan tewerkgesteld worden en dit niet het geval is voor een contract gesloten voor 19 juli 2009, wanneer in beide gevallen de werknemer niet over een arbeidsvergunning beschikt en hij in beide gevallen het contract slechts daadwerkelijk kan uitvoeren wanneer hij op basis van een voorwaardelijk toegekende machtiging tot verblijf een arbeidskaart B kan aanvragen en vervolgens deze arbeidskaart heeft verkregen. Bovendien wordt nergens in de instructie van 19 juli 2009, op de inhoud waarvan de staatssecretaris zich steunt bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid, bepaald dat het voorgelegde arbeidscontract "nieuw' dient te zijn, waarbij de Raad aanneemt dat de gemachtigde van de staatssecretaris bedoelt dat hit dient gesloten te zijn op of na 19 juli 2009, opdat het voor pu