Samenvatting
Het komt de Raad voor dat het delegatiebesluit van 18 maart 2009 wel degelijk een onpersoonlijke en abstracte rechtstoestand regelt en gelding heeft voor een onbepaald aantal gevallen, zodat samen met verzoeker dient te worden vastgesteld dat voornoemd delegatiebesluit een reglementair besluit betreft en aldus voor advies diende te worden voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State. Bijgevolg is het delegatiebesluit van 18 maart 2009 onwettig en kon de betrokken attachee van de Dienst Vreemdelingenzaken de hoedanigheid van gemachtigde van de minister/staatssecretaris niet ontlenen aan dit delegatiebesluit. Aangezien artikel 20, § 1 van het delegatiebesluit van 18 maart 2009 een opheffingsbepaling treft van het delegatiebesluit van 17 mei 1995, heeft de onwettigheid van het delegatiebesluit van 18 maart 2009 tot gevolg dat het ministerieel delegatiebesluit van 17 mei 1995 herleeft. Artikel 4 van het delegatiebesluit van 17 mei 1995 kent onder meer een delegatie van bevoegdheid toe aan de personeelsleden van de Dienst Vreemdelingenzaken met een rang 10 (gelijk aan niveau A) voor beslissingen genomen in toepassing van (oud) artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet. Verzoekers menen dat voormeld artikel evenmin voldoende is om aan de attachee van de Dienst Vreemdelingenzaken de hoedanigheid van gemachtigde toe te kennen, nu artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet is opgeheven. Verzoekers stellen dat er geen rechtsgeldige delegatie van bevoegdheid is daar er geen uitdrukkelijke bepaling is daartoe en dat een delegatie ‘bij analogie’ niet mogelijk is. Zoals in beschikking nr. 3934 van 28 januari 2009 van de Raad van State duidelijk wordt aangegeven, heeft de wetgever bij de hervorming van de Vreemdelingenwet in 2006 geopteerd om het bestaande artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet uit te splitsen in artikel 9bis van de Vreemdelingenwet en artikel 9ter van de Vreemdelingenwet. In de memorie van toelichting van de wet van 15 september 2006 tot