Samenvatting
In casu heeft verweerder, gebruik makend van zijn ruime discretionaire bevoegdheid, geoordeeld dat om een aanvraag om machtiging tot verblijf toe te kennen, het maandelijks in totaliteit te verdienen bedrag dat wordt uitgekeerd door de werkgever (of werkgevers tezamen) aan de aanvrager die zich beroept op het criterium 2.8.B in haar totaliteit niet lager mag zijn dan het equivalent van het wettelijk minimumloon dat voormelde CAO voorziet, ongeacht de uren die verzoeker presteert. Uit de bewoordingen van de vernietigde instructie en het vademecum kan niet afgeleid worden dat verweerder er zich toe verbindt voormelde CAO zonder meer in zijn geheel toe te passen. Uit de bewoording “equivalent aan”, hetzij “gelijkwaardig aan” blijkt enkel dat het minimumloon in de zin van de totale bezoldiging per maand, niet lager mag zijn dan het equivalent van het minimumloon voorzien in voormelde CAO, in casu niet lager dan het bedrag van 1387,49 euro per maand. Deze redenering vindt steun doordat in het vademecum wordt uiteengezet dat “Een bezoldiging gelijk aan het wettelijke minimumloon kan verkregen worden door verscheidene arbeidscontracten” terwijl voormelde CAO enkel zijn toepassing vindt bij voltijds tewerkgestelde werknemers. Verzoeker betwist niet dat hij een contract heeft voorgelegd met een loon van 1360 euro bruto per maand. Verzoeker betwist evenmin dat hij niet langer tewerkgesteld is onder het deeltijds arbeidscontract van 1 juli 2006. Zoals de bestreden beslissing stelt, is het bedrag 1360 euro lager dan het wettelijk bepaalde minimumloon zoals voorzien in de intersectorale collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 juli 1988 met name van 1387,49 euro per maand voor een persoon ouder dan 21 jaar (wat verzoeker is). De bestreden beslissing steunt aldus op een correcte feitenvinding. Het gegeven dat verweerder zich beroept op de CAO nr. 43 om het begrip “minimumloon” in de zin van de totale bezoldigi