Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 59.452 - 11-04-2011

Samenvatting

Verzoeker diende een vierde asielaanvraag in nadat hij werd opgesloten in de gevangenis van Vorst in het kader van een uitleveringsverzoek uitgaande van de Russische autoriteiten. Uit het niet-betwiste feitenrelaas en verzoekers verklaringen blijkt dat verzoeker deze asielaanvraag indiende omwille van zijn vrees dat hij, indien uitgeleverd, mishandeld zal worden, een oneerlijk proces zal krijgen en, in geval van veroordeling, mishandeld zal worden. Verzoeker voert aan dat zijn handelingen zich situeren binnen een duidelijke politieke machtstrijd en dat de handelingen, die zouden kunnen worden gekarakteriseerd als misdrijven, een politiek karakter hebben. De feitelijke beoordeling bij het overwegen of een persoon wordt vervolgd in de zin van het Verdrag van Genève is gelijk aan deze zoals gedaan door het EHRM bij het onderzoek of een persoon een reëel risico loopt om blootgesteld te worden aan een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM. Het is daarom aannemelijk dat artikel 3 EVRM een risico op vervolging omwille van één van de gronden omschreven in artikel 1 A Conventie van Genève omvat. Uit brieven van de Procureur-generaal van Rusland blijkt dat het recht op verdediging, met bijstand van advocaten is gewaarborgd, dat verzoeker geen folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, zoals gelezen in artikel 3 EVRM, zal ondergaan, dat de doodstraf niet zal worden opgelegd, dat er geen andere strafvervolging voorzien is dan voor de feiten omwille van dewelke de uitlevering wordt gevraagd, dat de fysiek en psychische integriteit gewaarborgd is. Tijdens zijn gevangenhouding in het kader van de strafvervolging of later bij een eventuele veroordeling, zal de Belgische ambassade geïnformeerd worden over de plaats van detentie en kan verzoeker bezocht worden, zonder aanwezigheid van derde, door gemandateerden van de diplomatieke vertegenwoordiging. In geval van veroordeling tot vrijheidsberoving zal de straf uitgezeten worden in een plaats die beantwoordt aan de Europese normen. De strafrechtelijke vervolging vindt niet zijn oorzaak in één van de vluchtelingrechtelijke gronden van vervolging. De voormelde garanties zijn gelijksoortig aan deze die door Rusland werden gegeven in analoge zaken die werden behandeld door het EHRM en waaromtrent het Hof oordeelde dat deze volstonden om te voldoen aan de vereisten van het verbod op foltering (art. 3 EVRM) en het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM). De waarborgen gegeven daar de Procureur-generaal zijn geloofwaardig en betrouwbaar zodat kan worden aangenomen dat verzoeker bij uitlevering omwille van de hem ten laste gelegde misdrijven geen behandeling zal ondergaan die strijdig is met het recht op leven (art. 2 EVRM) en de inhoud van artikel 3 EVRM, noch dat hem een eerlijke procesgang ontzegd zal worden.