Samenvatting
Een vernietiging van de bestreden beslissing kan, als schending van artikel 3 EVRM vastgesteld wordt, de verzoekende partij een nut verschaffen. De rechtstoestand wordt dan gewijzigd voor zover wordt vastgesteld dat door haar aandoening een terugkeer naar haar land van herkomst een blootstelling aan een onmenselijke of vernederende behandelingen is of met zich meebrengt. Het EHRM oordeelt dat een verwijdering een schending van artikel 3 EVRM kan uitmaken wanneer er ernstige en bewezen motieven bestaan om aan te nemen dat de verzoekende partij in het land van bestemming een reëel gevaar loopt om te worden onderworpen aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 EVRM. Artikel 3 EVRM verplicht de verdragstaten de betroffen persoon dan niet naar dat land te verwijderen. Om de ernstige en bewezen motieven te beoordelen moet men de te verwachten gevolgen van de verwijdering onderzoeken en hierbij rekening houden met de algemene situatie van dat land en met de specifieke situatie van de verzoeker. Bij de evaluatie van de algemene situatie in het land hecht het EHRM belang aan recente verslagen van onafhankelijke internationale organisaties voor de verdediging van de rechten van de mens of aan regeringsbronnen. Eventuele slechte behandelingen wegens een instabiele conjunctuur leidt op zich niet tot een schending van artikel 3 EVRM. Wanneer men enkel beschikt over algemene informatie moeten specifieke beweringen gestaafd worden met andere bewijselementen. Om de specifieke situatie van de verzoeker te onderzoeken moet men nagaan of het ingeroepen risico voldoende concreet en aantoonbaar is. Het bestaan van een reëel gevaar wordt onderzocht op grond van de omstandigheden waarvan de verwerende partij kennis had of gehad moest hebben op het ogenblik van de bestreden beslissing. De verwerende partij moet een zo nauwkeurig mogelijk onderzoek doen van de gegevens die wijzen op een reëel risico op een door artikel 3 EVRM verboden behandeling. In deze zaak is niet betwist dat d