Samenvatting
Waar verzoeker in zijn aanvraag verwezen heeft naar het criterium 2.8.A. van de instructie van 19 juli 2009, dient gesteld dat, zoals blijkt uit deze instructie, criterium 2.8.A slechts betrekking heeft op aanvragen om machtiging tot verblijf die ingediend of aangevuld werden in de periode van 15 september 2009 tot en met 15 december 2009. Zoals de bestreden beslissing overweegt heeft verzoeker zijn aanvraag evenwel pas ingediend op 26 maart 2010, en dus ruim na de periode waarop de voornoemde beleidsrichtlijn slaat, zodat het niet kennelijk onredelijk is dat de gemachtigde van de staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid oordeelt dat verzoeker niet voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden betreffende de termijnen die stellen dat een regularisatieaanvraag op basis van criterium 2.8.A van de instructie moet worden ingediend of aangevuld tijdens de periode van 15 september 2009 tot en met 15 december 2009. De verwijzing van verzoeker naar zijn eerdere regularisatieaanvraag, die wel binnen de voornoemde referentieperiode valt, is niet dienstig nu blijkt dat deze aanvraag onontvankelijk werd verklaard bij beslissing van 17 maart 2010 en deze beslissing niet het voorwerp uitmaakt van onderhavig beroep. Het argument van verzoeker dat hij pas bij zijn tweede aanvraag een bewijs van identiteit heeft kunnen overleggen en aldus meent verzachtende omstandigheden te kunnen inroepen, kan geen afbreuk doen aan de motivering van de bestreden beslissing. Uit nazicht van de aanvraag om machtiging tot verblijf van 26 maart 2010 blijkt dat verzoeker aangaande de ontvankelijkheid stelde dat hij bij zijn vorige aanvraag tot regularisatie zijn paspoort niet kon voorleggen als bewijs van zijn identiteit daar hij dit document op dat ogenblik nog niet had ontvangen maar dat hij bij onderhavige aanvraag wel zijn identiteit kan bewijzen en hoopt dat zijn aanvraag ontvankelijk verklaard kan worden. Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de aanvraag van verzoeker niet on