Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 67.937 - 5-10-2011

Samenvatting

Verwerende partij stelt dat het medisch attest dat door verzoekende partijen bij de aanvraag oom tot een verblijf gemachtigd te worden, werd gevoegd wel een “standaard medisch attest” is doch dat het geen uitspraak vertoont omtrent de graad van ernst, zoals vereist door artikel 9ter Vw. Het medisch attest dat de verzoekende partijen bij de aanvraag om tot een verblijf gemachtigd te worden hebben gevoegd, antwoordt op vraag B ‘Diagnostic’ met vermelding van ‘1) Etat de stress posttraumatique en 2) Gravité importante’. De verwerende partij ontkent dit overigens niet. Zij oordeelt dat het feit dat de graad van ernst van de ziekte als belangrijk wordt omschreven op zich niet de graad van ernst aantoont. De verwerende partij gaat hierdoor haar bevoegdheid te buiten of heeft op zijn minst kennelijk onredelijk gehandeld. Uit de omschrijving van de ernst van de graad is wel degelijk aanwezig op het standaard medisch getuigschrift. Bij het medisch getuigschrift werden ook nog verschillende andere attesten gevoegd ter bevestiging van de graad van de ernst, zoals gevraagd in vraag B. Artikel 9ter Vw. voorziet immers dat de beoordeling van de graad van de ernst dient te geschieden door de ambtenaar-geneesheer en niet door de DVZ. Het komt dus niet toe aan de gemachtigde van de staatsecretaris voor Migratie - en asielbeleid om te oordelen dat de omschrijving van de graad van de ernst niet voldoende is. De verzoekende partijen geven terecht aan dat nergens uit artikel 9ter Vw., noch uit de vraagstelling van het standaard medisch getuigschrift blijkt wat een arts dan wel zou moeten invullen opdat aanvaard zou worden dat de omschreven graad van de ernst van de ziekte wel zou voldoen. De bestreden beslissing schendt de materiële motiveringsplicht en wordt vernietigd.