Samenvatting
Uit de bestreden beslissing blijkt dat de “identiteit/nationaliteit” ter discussie staat. Bij zijn 9ter-aanvraag legde de verzoeker een identiteitskaart voor uitgereikt in 2004 door de “Federale Republiek Joegoslavië-Republiek Servië”, met een geldigheidsduur van 10 jaar. Die document vermeldt onder de noemer “Republiek”, “Servië” en bevat ook stempels van de republiek Servië. De verzoeker pecificeerde verder bij zijn aanvraag van Servische nationaliteit te zijn. Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof blijkt dat de ontvankelijkheidsvoorwaarde over het bewijs van identiteit in artikel 9ter Vw. zowel op de identiteit als de nationaliteit betrekt. Een identiteitskaart van een niet langer bestaande staat blijft in principe het bewijs van identiteit vormen. Uit het dossier blijkt niet dat verzoekers identiteit op enig moment in vraag werd gesteld. Dat een identiteitskaart van een niet meer bestaande staat wordt overgemaakt houdt dus niet op zichzelf in dat de nationaliteit niet aangetoond wordt in de zin van artikel 9ter Vw. Uit de memorie van toelichting bij artikel 9ter Vw. kan gelezen worden dat een oud nationaal paspoort kan volstaat. Voor zover kan worden aangenomen dat de verwerende partij in de bestreden beslissing ernstige twijfels uit aangaande de Servische nationaliteit van verzoeker, mist dit feitelijke grondslag in het administratief dossier. De verwerende partij heeft geen rekening gehouden met de vermeldingen die voorkomen op de door verzoeker voorgelegde identiteitskaart. De zorgvuldigheidplicht is geschonden. Een motivering die geen rekening houdt met de gegevens van het administratief dossier en gegevens vermeld op een verstrekte identiteitskaart kan onmogelijk deugdelijk zijn. Ook de materiële motiveringsplicht is geschonden. Een beslissing die een stuk niet weerhoudt als bewijs van nationaliteit waarbij de twijfels over de nationaliteit geen steun vinden in het administratief dossier, schendt artikel 9ter Vw. De bestreden beslissing wordt vernietigd.