Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 78.933 - 10-04-2012

Samenvatting

Het verblijfsrecht van een familielid van een burger van de Unie, c.q. Belgische onderdaan, ontstaat niet door de huwelijksvoltrekking en ook niet door de afgifte van de verblijfstitel, nl. de F-kaart. Het ontstaat vanaf het ogenblik dat de aanvrager zich als een familielid van een Unieburger heeft kenbaar gemaakt. Dit is dus vanaf de aanvraag van de vestiging en het ogenblik dat hij het attest van immatriculatie heeft gekregen. Dit gebeurde op 9 januari 2008. De verwerende partij kon dus tot 8 januari 2010 een einde stellen aan het verblijf wegens ontbinding van het huwelijk. De bestreden beslissing tot intrekking werd echter getroffen op 5 mei 2010, dus na het verstrijken van de termijn van twee jaar. Verzoeker heeft op 9 januari 2010 op onherroepelijke wijze een verblijfsrecht bekomen waaraan het (nieuw) artikel 42quater, § 1, eerste lid, 4° en tweede lid Vw. geen afbreuk meer kan doen. Door na meer dan twee jaar het verblijfsrecht van het familielid in te trekken, schendt de bestreden beslissing het oud artikel 42quater, § 1, eerste lid, 4° Vw.