Samenvatting
De verzoeker stelt dat hij geen Ahmadya noch een christelijke gelovige was. Toch werd hij beschuldigd omdat hij in contact kwam en bleef met verwanten die wel Ahmadi waren. Op dat moment kende hij het artikel 298c Pakistan Penal Code (PPC) nog niet. Hij zet uitgebreid de problemen van de Ahmadi moslims uiteen en de wetsbepalingen in dit verband. Het verwijst naar verschillende internationale rapporten die waarschuwen voor discriminatie, geweld en misbruik tegen deze groep. (zie ‘Brief Amnesty International, afdeling Nederland 27/02/2001’ en ‘Rapport Situatie van de Ahmadi’s in Pakistan van het Ministerie van Buitenlandse zaken 28/02/2011’). De tekst van artikel 298c PPC is ruim genoeg is om ook personen die niet rechtstreeks het geloof aankleven en belijden, mee in de beschuldiging te betrekken. Dit was het geval bij de verzoeker. Hij was het voorwerp van onder meer een klacht vanwege de imam, die leidde tot zijn vervolging. Verzoeker legt een aantal documenten voor, onder meer een ‘First Information Report’ met de klacht van de imam van het dorp van verzoeker en een vonnis. Daarbij worden de verzoeker en een verwante schuldig geacht op grond van artikel 298c PPC. Uit het administratief dossier blijkt dat de omgang met Ahamdi, ook al is men zelf geen Ahmadi, een reden voor vervolging kan zijn.