Samenvatting
Artikel 3.2 van de Dublinverordening voorziet dat elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land kan behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de in deze verordening vastgelegde criteria. De verweerder is echter verplicht om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid die voortvloeit uit deze bepaling als het niet aanwenden van deze bevoegdheid zou leiden tot een schending van fundamentele rechten die een absoluut karakter hebben, zoals artikel 3 van het EVRM.
Niet-begeleide minderjarige asielzoekers worden in de EU-regelgeving aangemerkt als een kwetsbare
groep van personen met bijzondere behoeften (artikel 17 van de Richtlijn 2003/9/EG en overweging nr. 14, preambule van de Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingstatus). Met betrekking tot de opvang van niet begeleide minderjarige gelden er specifieke verplichtingen onder artikel 19 van de Richtlijn 2003/19/EG enerzijds, alsook met betrekking tot het verstrekken van specifieke waarborgen voor niet-begeleide minderjarige asielzoekers onder artikel 17 van de Richtlijn 2005/85/EG anderzijds. Het terugsturen van een persoon naar een land van bestemming waar ernstige tekortkomingen aan deze verplichtingen worden vastgesteld, kan aanleiding geven tot een schending van artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest Grondrechten Europese Unie, ook al heeft dit plaats in het kader van een overname onder de Dublin-II-verordening.
Uit niets blijkt dat de verweerder concreet is nagegaan wat de specifieke situatie is van niet-begeleide minderjarige asielzoekers in Italië. In de eerste bestreden beslissing wordt enkel gemotiveerd inzake de algemene situatie van vreemdelingen die in het kader van de verordening 343/2003/EG worden overgedragen aan Italië. De groep van niet-begeleide minderjarige asielzoekers is een bijzonder kwetsbare groep. Hiervoor is een specifiek onderzoek nodig naar de concrete omstandigheden van opvang en behandeling van deze categorie van vreemdelingen. Er blijkt dat ernstige aanwijzingen bestaan dat zich in Italië problemen kunnen stellen inzake de opvang van niet-begeleide minderjarige asielzoekers en met betrekking tot de waarborgen voor niet-begeleide minderjarige asielzoekers tijdens de asielprocedure.
Uit de informatie van de verzoeker en uit het rapport ‘The Norwegian Organisation for Asylum Seekers’ blijkt dat niet elke minderjarige in Italië als minderjarige geregistreerd wordt in het kader van een asielprocedure. Er is hier geen informatie voorhanden over de vraag of Italië de verzoeker al dan niet als niet-begeleide minderjarige asielzoeker zal beschouwen. Ook is niet zeker of hij de zorg en opvang zal ontvangen die nodig is gezien zijn kwetsbare situatie. De verweerder heeft wat dit betreft geen specifiek onderzoek gevoerd, ondanks aanwijzingen waarover hij beschikte dat er zich op dit punt tekortkomingen kunnen voordoen die - alleen al gelet op de kwetsbare groep waartoe verzoeker als niet-begeleide minderjarige vreemdeling behoort - als ernstig dienen te worden aangemerkt. Voormeld rapport van NOAS maakt immers deel uit van het door verweerder neergelegde administratief dossier.
De verweerder heeft bij het nemen van de eerste bestreden beslissing geen of onvoldoende rekening gehouden met alle omstandigheden eigen aan de individuele situatie van verzoeker, en meer specifiek met de kwetsbare situatie waarin deze zich als niet-begeleide minderjarige asielzoeker bevindt. De verweerder heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar het risico op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM.