Samenvatting
Twijfels over bepaalde aspecten van een relaas ontslaan de bevoegde overheid niet van de opdracht de vrees voor vervolging betreffende die elementen waar geen twijfel over bestaat, te toetsen. Het moet gaan om die elementen die een toekenning van bescherming kunnen rechtvaardigen. Hier gaat het om verzoekers profiel van hoogopgeleid beroepsmuzikant en lesgever. Verweerder baseerde de Subject Related Briefing van 5 januari 2012 onder meer op de “Note on the applicability of the april 2009 UNHCR eligibility guidelines for assessing the international protection needs of Iraqi asylum-seekers” van juli 2010, zoals deze werden uitgebracht door UNHCR. Blijkens deze “guidelines” konden artiesten en muzikanten aanzien worden als personen die handelden in strijd met islamitische richtlijnen. Dus konden zij een risico voor vervolging lopen. De voormelde “guidelines” kregen op 31 mei 2012 een update kregen van UNHCR. Uit deze nieuwe richtlijnen blijkt onder andere dat, hoewel de situatie sinds 2008 verbeterde, artiesten meer lijden onder restricties ingevolge intolerantie en de strikte interpretatie van islamitische waarden dan onder directe aanvallen. Het wordt niet betwist dat verzoeker na de val van het regime van Saddam Hoessein verscheidene malen naar Europa reisde om te musiceren. Verzoeker, die sinds 2002 in Tunesië verbleef, vroeg geen internationale bescherming tijdens deze tournees. Tijdens de periode dat het geweld in Irak op haar hoogtepunt was diende hij geen asielaanvraag in. Hij had hier echter door zijn concerten in bijvoorbeeld Frankrijk en Engeland gemakkelijk toegang toe. Verzoeker maakt aannemelijk dat de gebeurtenissen in Tunesië naar aanleiding van de ‘Arabische Lente’ een negatieve invloed kunnen hebben gehad op de omstandigheden van zijn verblijf aldaar zodat hij genoodzaakt werd terug te keren naar Bagdad. Verzoekers handelwijze doorheen de jaren maakt aannemelijk dat hij actueel omwille van zijn profiel als hoogopgeleid beroepsmuzikant in de negatieve belangstelling kan staan van extremistische groeperingen in Irak. Verzoeker maakt aannemelijk dat hij behoort tot een sociale groep, zoals omschreven in artikel 48/3, § 4, d) van de Vreemdelingenwet. Er kan dus worden aangenomen dat hij een gegronde vrees voor vervolging.