Samenvatting
Uit de artikel 40, § 4 Vw. blijkt niet dat de aard van de tewerkstelling een voorwaarde is waarvan het statuut van werknemer afhankelijk is. Volgens het gemeenschapsrecht is een werknemer “iemand [die] gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt”. Verzoeker werkt onder het gezag van een ander , nl. de stad Gent en ontvangt hiervoor als tegenprestatie een vergoeding. Het Hof van Justitie stelt in zijn arrest Levin “(…) Bovendien stelt richtlijn nr. 68/360, waar zij in artikel 4 de werknemers – tegen overlegging van het document op vertoon waarvan zij het grondgebied hebben betreden, en van een door de werkgever afgegeven verklaring van indienstneming of tewerkstelling – het recht van verblijf verleent, dit recht niet afhankelijk van enige voorwaarde omtrent het soort werk of het daarmee verworven inkomen.”
De aard van het werk, in casu gesubsidieerd of niet, is niet relevant. De motivering daaromtrent mist wettelijke grondslag.