Samenvatting
De vraag rijst of verzoekers vrijgesteld zijn van het voorleggen van een bewijs dat de referentiepersoon over stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen beschikt zoals bepaald in artikel 10, § 5 van de vreemdelingenwet, dat op zijn beurt verwijst naar de stabiele en toereikende bestaansmiddelen bedoeld in artikel 10, § 2, derde lid van de vreemdelingenwet.
Uit artikel 10, § 2, vijfde lid Vw. kan worden afgeleid dat de familieleden van een vreemdeling die geniet van de subsidiaire bescherming vrijgesteld zijn van de voorwaarde van toereikende, stabiele en regelmatige bestaansmiddelen, als de bloed- en aanverwantschapsbanden al bestonden vooraleer de vreemdeling het Rijk binnenkwam en als de visumaanvraag werd ingediend in de loop van het jaar na de toekenning van de subsidiaire bescherming. In casu is dit het geval, gezien verzoekster al gehuwd was met de referentiepersoon en het kind al geboren was voor de referentiepersoon het Rijk binnenkwam (verzoekster en haar kind bevinden zich momenteel nog in het buitenland) en de visumaanvraag werd ingediend op 1 juli 2012, binnen het jaar na de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus op 5 augustus 2011.
Overeenkomstig artikel 49/2 van de vreemdelingenwet krijgt de subsidiair beschermde een verblijf van beperkte duur in de vorm van een hernieuwbare verblijfstitel geldig voor één jaar. Pas na vijf jaar krijgt hij een toelating tot een verblijf van onbeperkte duur.
In artikel 10, § 2, vijfde lid van de vreemdelingenwet wordt niet bepaald dat de aanvraag tot gezinshereniging door het familielid moet worden ingediend in de loop van het jaar waarin de genieter van de subsidiaire beschermingsstatus na vijf jaar toegelaten wordt tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk, maar wel dat de aanvraag wordt ingediend “in de loop van het jaar na (…) de toekenning van de subsidiaire bescherming van de vreemdeling die vervoegd wordt.” De aanvraag mag dus al geschieden op een ogenblik waarop de genieter van de subsidiaire beschermingsstatus slechts over een tijdelijk verblijfsrecht beschikt, en de bepalingen van artikel 10, § 2 van de vreemdelingenwet zijn onverminderd van toepassing op de aanvrager. In elk ander geval zouden deze bepalingen hun nut verliezen: het blijkt niet dat het familielid moet wachten tot de genieter van de subsidiaire beschermingsstatus wordt toegelaten tot een onbeperkt verblijf, wat slechts kan na vijf jaar. Integendeel, de wetgever heeft voorzien dat het familielid dat de aanvraag binnen het jaar na de toekenning van de subsidiaire bescherming indient, geniet van bepaalde vrijstellingen. Deze vrijstellingen niet van toepassing verklaren omdat het om een tijdelijk verblijf gaat, ontneemt in casu elke zin aan de wetsbepaling vervat in artikel 10, § 2, vijfde lid van de vreemdelingenwet.
Uit de memorie van toelichting (Parl. St. 2010-2011, Doc 53, 0443/001, p.5) bij de wet van 8 juli 2011 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de voorwaarden tot gezinshereniging, blijkt dat “de voorwaarden voor de gezinshereniging van erkende vluchtelingen worden niet gewijzigd, geheel conform de Europese Richtlijn 2003/86/EG”.
Uit de voorbereidende werken blijkt niet dat een onderscheid gemaakt wordt tussen erkende vluchtelingen en subsidiair beschermden, hoewel de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging uitdrukkelijk aangeeft niet van toepassing te zijn op een gezinshereniger die toestemming heeft om in een lidstaat te verblijven uit hoofde van tijdelijke bescherming of uit hoofde van vormen van subsidiaire bescherming (artikel 3.2. b) en c) van de Richtlijn 2003/86/EG). Dat voormeld onderscheid niet beoogd werd door de wetgever, wordt bevestigd in het advies van de Raad van State nr. 49 356/4 van 4 april 2011 (Parl. St. 2010-2011, Doc 53 0443/015, p. 10-11 en p. 13). waarin gesteld wordt “Het voorgestelde artikel 10, § 2, vijfde lid, stelt erkende vluchtelingen en diegenen die subsidiaire bescherming genieten vrij van de voorwaarden inzake behoorlijke huisvesting, ziektekostenverzekering en stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen als de aanvraag tot gezinshereniging ingediend is “in de loop van het jaar na de beslissing tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling of de toekenning van de subsidiaire bescherming van de vreemdeling die vervoegd wordt”.” en “Aangezien personen die subsidiaire bescherming genieten, wat de voorwaarden inzake gezinshereniging betreft op dezelfde manier behandeld worden als erkende vluchtelingen, (…).”
Er kan in dit geval wel worden aangenomen dat de wetgever niet eenduidig is geweest door een bepaling inzake familieleden van vreemdelingen met een verblijfsrecht van beperkte duur in te voegen in een artikel dat betrekking heeft op familieleden van vreemdelingen met een verblijfsrecht van onbeperkte duur. Echter, zoals hierboven al werd uiteengezet, heeft de wetgever uitdrukkelijk voorzien dat het familielid dat de aanvraag binnen het jaar na de toekenning van de subsidiaire bescherming indient, geniet van bepaalde vrijstellingen. Deze vrijstellingen niet van toepassing verklaren omdat het om een tijdelijk verblijf gaat, ontneemt in casu elke zin aan de wetsbepaling vervat in artikel 10, § 2, vijfde lid van de vreemdelingenwet en zou betekenen dat deze nooit kan worden toegepast.
De schending van artikel 10, § 2, vijfde lid van de vreemdelingenwet wordt aangetoond. Het eerste middel is gegrond. Gezien de gegrondheid van het eerste middel aanleiding geeft tot de ruimste vernietiging, dienen de overige middelen niet te worden onderzocht.