Samenvatting
De eerste verzoekende partij legde geen identiteitsdocument in de zin van artikel 9bis voor. Door de aanvraag ontvankelijk te verklaren aanvaardt de verwerende partij dus dat verzoeker onder één van de uitzonderingscategorieën valt. De raad weigerde bij arrest nr. 20.654 van 17 december 2008 de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen. Tegen dit arrest stelde werd geen cassatieberoep ingesteld. De aanvraag om machtiging tot verblijf werd ontvankelijk verklaard. Dit betekent dan ook dat de verwerende partij heeft besloten dat de aangevoerde gegevens toelieten te besluiten dat het voor de verzoekende partijen zeer moeilijk of zelfs onmogelijk is om een verblijfsmachtiging aan te vragen via de Belgische diplomatieke of consulaire post in het buitenland. Met een identiteitsdocument in de zin van artikel 9bis Vw. bedoelt de wetgever “een paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel”. Een doorlaatbewijs is een gelijkgestelde reistitel. Zulke reistitel moet een vreemdeling immers toelaten om, bij gebreke aan een paspoort, de grenzen te overschrijden om terug te keren naar zijn land van herkomst. Dit impliceert dat het, net zoals een paspoort, alle noodzakelijke identiteitsgegevens moet bevatten en moet toelaten vast te stellen dat de houder van het document en de persoon op wie het document betrekking heeft één en dezelfde persoon zijn. De verwerende partij stelt enerzijds dat de eerste verzoekende partij onmogelijk een identiteitsdocument in België kan verwerven. Anderzijds stelt zij dat eerste verzoeker niet aantoont dat dat zij niet in de mogelijkheid is om een doorlaatbewijs – wat ook een identiteitsdocument in de zin van artikel 9bis Vw. is – te verkrijgen. Deze stellingname kennelijk onredelijk. Er bestaan immers buitengewone omstandigheden in hoofde van eerste verzoekende partij. De door haar aangevoerde elementen volstaan dus om te besluiten dat het zeer moeilijk of zelfs onmogelijk is om terug te keren naar Rusland. Het bijgevolg ook kennelijk onredelijk om, bij de beoordeling ten gronde, aanvullende bewijzen te vragen waaruit kan worden afgeleid dat zij effectief niet naar Rusland, laat staan naar een derde land, zou kunnen afreizen. Verzoekende partijen hebben in hun aanvraag zeer uitvoerig toegelicht dat zij beiden een verschillende nationaliteit hebben en dat de eerste verzoekende partij zonder paspoort niet naar haar land van herkomst en evenmin naar het land van herkomst van tweede verzoekende partij kan afreizen. Het niet aanvaarden van de aanwezigheid van buitengewone omstandigheden zou in hun geval neerkomen op een ongeoorloofde en disproportionele aantasting van hun privé- en familiaal leven zoals beschermd door artikel 8 EVRM. De vaststelling van de verwerende partij dat verzoekende partijen zichzelf in de situatie brachten waarin zij zich nu bevinden en dat zij illegaal zijn, is niet kennelijk redelijk gelet op de aangevoerde specifieke problematiek. De vaststelling laat niet toe te besluiten dat verzoekende partijen niet dienstig naar de bescherming die wordt geboden door artikel 8 van het EVRM kunnen verwijzen.