Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 94.910 - 11-01-2013

Samenvatting

Uit artikel 9ter, § 3, 3° juncto artikel 9ter, § 1, vierde lid Vw. blijkt dat het standaard medisch getuigschrift op straffe van niet-ontvankelijkheid de ziekte, haar graad van ernst en de noodzakelijk geachte behandeling dient te vermelden. Hier werd de aanvraag onontvankelijk verklaard omdat het standaard medisch getuigschrift de graad van ernst van de aandoening van verzoekster niet vermeldt. Onder “punt B/ DIAGNOSE” van het getuigschrift vraagt men een “gedetailleerde beschrijving van de aard en de ernst van de aandoeningen op basis waarvan de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9ter wordt ingediend”. Het gaat in dat model enkel over de “ernst van de aandoeningen” en er is geen specifieke vraagstelling over de “graad van ernst” voorzien. Daarom volstaat het dat de graad van ernst uit het standaard medisch getuigschrift blijkt, ook al is het uit het antwoord op een andere vraagstelling dan in het genoemde punt B. Verzoekster lijdt aan dementie. Deze ziekte is ernstig en ongeneeslijk, berust op een geleidelijke achteruitgang van het functioneren van de hersenen. In het standaard medisch getuigschrift wordt aangegeven dat deze ziekte zich reeds in een stadium bevindt waarin verzoekster is aangewezen op mantelzorg. Zonder deze zorg zal zij verkommeren of verongelukken. De verweerder handelde hier kennelijk onredelijk door vast te stellen dat het bij de aanvraag voorgelegde standaard medisch getuigschrift van 14 maart 2012 “geen enkele uitspraak [toont] omtrent de ernst of graad van ernst van de ziekte”. In het specifieke geval van een aandoening met de kenmerken van dementie kan verweerder niet worden gevolgd waar hij stelt dat de vereiste van mantelzorg niet wijst op de graad van ernst van de aandoening.