Samenvatting
Het afnemen van een videoverhoor voert een nieuwe soort verwerking van persoonsgegevens in. De deelname aan een videogehoor kan namelijk leiden tot de doorzending van metagegevens, zijnde persoonsgegevens die worden gegenereerd door het gebruik van de videoconferentie software zelf, zoals de identiteit van de personen die inloggen, hun elektronische adressen.
In de prejudiciële vraag stelt de RvS stelt zich de vraag of de Verblijfswet voldoende ‘nauwkeurig en volledig’ zijn om een videogehoor toe te staan bij wijze van een Koninklijk Besluit (KB) ‘om de koning toe te staan om te voorzien in een onderhoud per videoconferentie’.
Delegatie via een KB is niet strijdig met het wettigheidsbeginsel. Wel moet de machtiging voldoende nauwkeurig omschreven zijn en betrekking hebben op de ‘tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen vooraf door de wetgever zijn vastgesteld.’
Dit houdt onder meer in dat eenieder een voldoende duidelijk beeld moet kunnen hebben van de verwerkte gegevens, de betrokken personen, de voorwaarden, en de doeleinden van de verwerking.
De essentiële elementen van de verwerking van de persoonsgegevens moeten in de wet zelf worden vastgelegd. De relevante bepalingen in de Verblijfswet staan echter niet toe aan de persoon om voldoende te begrijpen welke gegevens worden verwerkt:
- Geen enkele bepaling in de Verblijfswet [voorzag] in de verwerking van de beelden en geluiden via videoconferentie
- Het doeleinde van de verwerking van de metagegevens met betrekking tot de technische aspecten van de videoconferentie is niet bepaald
- Er wordt niet bepaald welke categorieën van personen toegang hebben tot de technische gegevens
- Ook wordt niet gepreciseerd of de leverancier van de videoconferentie software toegang heeft tot die gegevens
- De bewaartermijn van de gegevens wordt niet uitdrukkelijk vermeld, zowel wat betreft de technische metagegevens, als de gegevens rond identiteit, reisweg, de redenen van het VIB,…
Bijgevolg vormt het afnemen van een videgehoor, zowel door de DVZ als door het CGVS, een schending van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 3 van de AVG en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.