Samenvatting
De Raad stelt vast dat de verzoekende partij in haar aanvraag van 6 september 2024 erop wees dat zij er tot op dat ogenblik niet in geslaagd is om de diplomatieke post te bereiken, waarbij zij er enerzijds op wijst dat zij op dat ogenblik in de objectieve onmogelijkheid is om Eritrea te verlaten gezien zij haar legerplicht aan het uitvoeren is, en anderzijds aanhaalt dat haar ontsnappings- en vluchtpogingen tot op dat ogenblik nog niet geslaagd zijn.
Betreffende haar legerdienst licht de verzoekende partij in haar aanvraag concreet toe dat zij deze aan het uitvoeren is alsook dat zij deze gedwongen startte in 2006. Betreffende haar dienstplicht licht zij ook nog toe dat zij in 2020 vluchtte naar Ethiopië, werd opgepakt en gedeporteerd naar Eritrea, opgesloten werd in de gevangenis en daarna gedwongen werd de legerdienst verder te zetten.
Voorts lichtte zij toe dat de gedwongen dienstplicht van onbepaalde duur is in Eritrea alsook dat Eritreeërs niet vrij zijn hun land te verlaten, waar zij citeert uit het reeds vermelde ambtsbericht “Een bron beschreef het huidige uitreisbeleid in Eritrea als een “de-facto uitreisverbod dat veel mensen zien als een formeel uitreisverbod”.146 Al tientallen jaren zouden de Eritrese autoriteiten een strikt uitreisbeleid hanteren met als doel om degenen die zouden kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van het land, met name door het dienen van de militaire en civiele dienstplicht, te verhinderen het land te verlaten.147 Om het land legaal te verlaten hadden personen nog steeds zowel een paspoort als uitreisvisum nodig, die enkel in uitzonderlijke gevallen werden verstrekt.” (eigen onderlijnen)
Waar de verwerende partij in de bestreden beslissing stelt dat de verzoekende partij volgens haar verhaal in 2020 kort naar Ethiopië vluchtte waarna zij werd gearresteerd en terugkeerde naar Eritrea en dat zij niet lijkt te hebben geprobeerd via legale kanalen Eritrea te verlaten, merkt de Raad op dat de verzoekende partij – omtrent het legaal verlaten van Eritrea – in haar aanvraag meedeelde dat zij in de objectieve onmogelijkheid is om Eritrea te verlaten gezien zij haar legerplicht aan het uitvoeren is alsook verder wijst op algemene informatie waaruit blijkt dat er een de facto-uitreisverbod is daar de Eritrese autoriteiten een strikt uitreisbeleid hanteren met als doel om degenen die de militaire en civiele dienstplicht kunnen dienen, te verhinderen het land te verlaten.
De verwerende partij motiveert dat de aanvraag van de verzoekende partij niet gebaseerd is op enig concreet element dat verband hield met haar persoonlijke situatie maar op algemene rapporten, dat niet werd aangetoond dat de in de rapporten beschreven algemene situatie op haar van toepassing is door concrete en relevante elementen aan te brengen, dat niet aangetoond is dat zij zich in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met deze in de rapporten genoemde personen die moeilijkheden zouden ondervonden hebben bij het verkrijgen van een paspoort en uitreisvisum.
Naast de vaststelling dat de aanvraag zich niet in het administratief dossier bevindt, zodat de Raad geenszins kan nagaan welke algemene en/of persoonlijke informatie en stukken bij de aanvraag die de verzoekende partij overmaakte per e-mail van 6 september 2024 werden gevoegd, stelt de Raad ook vast dat uit de in de verzoekschrift geciteerde aanvraag – waarvan de verwerende partij in haar nota niet betwist dat dit de tekst van de aanvraag betrof die werd gestuurd naar de ambassade in Nairobi – blijkt dat de verzoekende partij wel degelijk concrete en – in het kader van de door haar aangereikte algemene informatie – relevante informatie betreffende haar persoonlijke situatie vermeldde. De Raad herhaalt dat de verzoekende partij concreet toelichtte dat zij haar legerdienst aan het uitvoeren is alsook dat zij deze gedwongen startte in 2006. Betreffende haar dienstplicht licht zij ook nog toe dat zij in 2020 vluchtte naar Ethiopië, werd opgepakt en gedeporteerd naar Eritrea, opgesloten werd in de gevangenis en daarna gedwongen werd de legerdienst verder te zetten. Er kan dan ook niet zonder meer gesteld worden dat de beweringen bijzonder vaag en algemeen zijn.
Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt niet waarom de aangehaalde omstandigheid dat zij haar legerdienst aan het uitvoeren is – omstandigheid die zij inroept als objectieve onmogelijkheid om Eritrea te verlaten – in het licht van de algemene informatie die door de verzoekende partij in haar schrijven wordt weergegeven, met name dat blijkt dat er een de facto-uitreisverbod is daar er een strikt uitreisbeleid gehanteerd wordt met als doel degenen die zouden kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van het land, met name door het dienen van de militaire en civiele dienstplicht, te verhinderen het land te verlaten, niet kan aanvaard worden als het aantonen dat het voor haar persoonlijk onmogelijk of bijzonder moeilijk is om Eritrea te verlaten.
Betreffende de motieven in de bestreden beslissing “Omgekeerd hebben verschillende Eritreeërs, van alle leeftijden, een paspoort kunnen bekomen en reizen ze. Er zijn ook regelmatige vluchten van Asmara naar Istanbul, Dubai, Jeddah, Caïro, enz. De Italiaanse ambassade in Asmara, die 10 Schengenstaten vertegenwoordigt, waaronder België, verwerkte in 2023 3.432 visumaanvragen kort verblijf (waarvan 121 aanvragen betreffende België). De mensen die deze visumaanvragen indienden, beschikken allemaal over een paspoort en een uitreisvisum. Bovendien hebben Eritreeërs, als gevolg van een overeenkomst tussen Kenia en Eritrea die in 2022 werd ondertekend, geen visum nodig om naar Nairobi te reizen. Ze hoeven alleen online een eTA (Electronic Travel Authorization) aan te vragen.”, stelt de Raad vast – nog naast het feit dat uit deze motieven ook niet blijkt of deze informatie betrekking heeft op personen die hun dienstplicht aan het uitvoeren zijn of dienstplichtige leeftijd hebben en die niet vrijgesteld zijn van of ontslagen uit dienstplicht – dat de concrete informatie waarop de verwerende partij zich steunt, zich niet in het administratief dossier bevindt, noch wordt er verwezen naar een externe toegankelijke bron, zoals terecht aangegeven door de verzoekende partij. De Raad benadrukt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift verwijst naar pagina 19 van het reeds genoemde ambtsbericht, waaruit blijkt dat om een uitreisvisum te verkrijgen personen moeten kunnen bewijzen dat men de dienstplicht had vervuld of hiervan officieel was vrijgesteld, dat personen die in aanmerking komen voor uitreis mannen en vrouwen waren die geen dienstplichtige leeftijd meer hadden en formeel uit de dienstplicht.
De Raad herhaalt dan ook dat uit de motieven van de bestreden beslissing niet blijkt waarom de ingeroepen omstandigheid dat zij haar legerdienst aan het uitvoeren is, in het licht van de algemene informatie, niet kan aanvaard worden als het aantonen dat het voor haar persoonlijk onmogelijk of bijzonder moeilijk is om Eritrea te verlaten.
Een schending van de materiële motiveringplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel wordt aannemelijk gemaakt.