Samenvatting
Opdat kan worden aangenomen dat de eerste en tweede verzoekende partij “komen samenleven” met de referentiepersoon – dit is hun vermoedelijke intussen meerderjarige zoon – is aldus op zich geen samenwoning vereist. Wel kan worden vereist dat er nog sprake is van een “werkelijk gezinsleven”, zoals ook volgt uit artikel 16, lid 1, b) van de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging dat in de Belgische rechtsorde werd omgezet in artikel 10 van de Vreemdelingenwet. Zoals blijkt uit de in de parlementaire voorbereiding aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie, kunnen in dit verband incidentele bezoeken, voor zover mogelijk, en regelmatige contacten van welke aard ook, volstaan om aan te nemen dat de betrokken personen persoonlijke en affectieve betrekkingen aan het herstellen zijn en om aan te tonen dat er sprake is van een werkelijk gezinsleven. Er kan niet worden verlangd dat het gezinsherenigende kind en zijn ouder(s) elkaar financieel ondersteunen.
De Raad stelt vast dat de verwerende partij in de voor de eerste en tweede verzoekende partij genomen beslissingen op zich nergens verwijst naar een voorwaarde van “samenwonen” of een gebrek aan samenwoning, dit in tegenstelling tot wat het geval was in het door de verzoekende partijen aangehaalde arrest van de Raad. De verwerende partij wees er in deze bestreden beslissingen correct op dat uit artikel 10, § 1, eerste lid, 7° van de Vreemdelingenwet een vereiste volgt dat de aanvrager “komt samenleven” met de referentiepersoon. Zij wijst wel op het gegeven van de internering van de referentiepersoon om te stellen dat volgens haar niet wordt voldaan aan de voorwaarde van “[komen] samenleven”.
In elk geval moet de Raad vaststellen dat de verzoekende partijen noch in hun visumaanvragen noch in het kader van huidig beroep concrete en voldoende actuele elementen hebben voorgelegd van een “werkelijk gezinsleven” zoals bedoeld in artikel 16, lid 1, b) van de Richtlijn 2003/86/EG, zij het incidentele bezoeken of regelmatige contacten van welke aard dan ook waaruit blijkt dat de betrokken personen persoonlijke en affectieve betrekkingen aan het herstellen zijn en om aan te tonen dat er nog steeds sprake is van een werkelijk gezinsleven. Evenmin hebben de verzoekende partijen de mogelijkheid tot het indienen van een synthesememorie aangegrepen om in te gaan op het verweer in de nota met opmerkingen dat zij niet aantonen dat zij een daadwerkelijk gezinsleven gaan onderhouden in België in de huidige situatie van de internering van de referentiepersoon. Zij geven aldus niet aan dat de verwerende partij in dit verband concrete elementen onterecht over het hoofd heeft gezien of heeft veronachtzaamd.
De verzoekende partijen beperken er zich toe op te merken dat de bij de referentiepersoon vastgestelde PTSS en ASS determinerend waren voor zijn erkenning als vluchteling en dat de symptomen van diens psychische aandoeningen zich sindsdien, onder meer door het gemis van zijn familie, lijken te hebben versterkt waardoor een internering zich opdrong. Hiermee wordt echter nog geen afbreuk gedaan aan de voorgaande beoordeling en hiermee wordt nog geen onregelmatigheid of onwettigheid bij het nemen van de bestreden beslissingen aangetoond.
In de gegeven omstandigheden tonen de verzoekende partij bijgevolg niet aan dat de verwerende partij een te strenge voorwaarde van “samenwonen” voor de gezinshereniging heeft gehanteerd, minstens hebben zij geen voldoende belang bij hun kritiek ter zake. Zij maken niet aannemelijk dat enig gegeven of element dat zij hebben ingeroepen in het kader van hun visumaanvragen onterecht niet in de besluitvorming is betrokken of de gedane beoordeling onzorgvuldig of kennelijk onredelijk is.
De verzoekende partijen tonen aldus niet aan dat de in hoofde van de eerste en tweede verzoekende partij getroffen beslissingen zijn genomen met miskenning van de bepalingen van artikel 10 van de Vreemdelingenwet of van een van de ingeroepen beginselen van behoorlijk bestuur.