Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 334.196 - 13-10-2025

Samenvatting

De eerste bestreden beslissing, zijnde de weigering van machtiging tot verblijf, steunt op het feit dat het religieus huwelijk van verzoeker, dat dateert van 14 oktober 2021, noch volgens Belgische wetgeving, noch volgens Oekraïense wetgeving als een wettelijk huwelijk wordt beschouwd. Verzoeker is weliswaar ook wettelijk gehuwd met een Oekraïense onderdane met tijdelijke bescherming in België, waarvan zij volgens de bestreden beslissing op 31 maart 2022 ter kennis werd gesteld. Het administratief dossier bevat inderdaad een stuk “attest tijdelijke bescherming” voor mevrouw S.O. van 31 maart 2022. Omdat het wettelijk huwelijk dateert van 22 februari 2023, hetgeen door verzoeker niet wordt betwist en ook blijkt uit het administratief dossier, wordt door de gemachtigde geoordeeld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming in de hoedanigheid van “huwelijkspartner” in de zin van artikel 2, lid 4, a van het Uitvoeringsbesluit. Om te vallen onder artikel 2, lid 4 van het Uitvoeringsbesluit diende verzoeker reeds deel uit te maken van het gezin als huwelijkspartner, lees wettelijk gehuwd te zijn, voor 24 februari 2022. 

Verzoeker wijst er echter terecht op dat de Belgische wetgever ervoor heeft geopteerd om de richtlijn 2001/55/EG om te zetten in de bepalingen 57/29 tot 57/36 van de Vreemdelingenwet, waaronder ook in artikel 57/34 van de Vreemdelingenwet.

Deze bepaling luidde op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing als volgt:

“§ 1. De minister of zijn gemachtigde kent een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden toe aan de vreemde echtgenoot van een vreemdeling die gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk in de hoedanigheid van vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet op basis van artikel 57/30 en aan de minderjarige ongehuwde kinderen van de ene of de andere, die hiertoe een aanvraag indienen, voor zover de betrokkene zich niet bevindt in één van de gevallen voorzien in artikel 3, eerste lid, 5 tot 8°, of, wat de in § 4 bedoelde familieleden betreft, in één van de in artikel 57/32, § 1, bedoelde gevallen.

De minister of zijn gemachtigde kan een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden toekennen aan andere naaste familieleden van een vreemdeling die gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk in de hoedanigheid van vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet op basis van artikel 57/30, die met het gezin samenwoonden ten tijde van de gebeurtenissen die tot de massale toestroom van ontheemden bedoeld in artikel 57/29, § 1, hebben geleid en die op dat tijdstip volledig of hoofdzakelijk ten laste van deze vreemdeling waren.” (eigen onderlijnen)

Er blijkt niet dat verzoeker zich bevindt in één van de gevallen voorzien in artikel 3, eerste lid, 5 tot 8° van de Vreemdelingenwet, of, wat de in § 4 bedoelde familieleden betreft, in één van de in artikel 57/32, § 1, bedoelde gevallen, althans de gemachtigde heeft hieromtrent niet gemotiveerd en dit blijkt ook niet uit het administratief dossier. Hij dient ook te worden beschouwd als de vreemde echtgenoot van Mw. S.O., die gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk in de hoedanigheid van vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet op basis van artikel 57/30.

Verzoeker heeft aangaande deze bepaling terecht verwezen naar de Memorie van Toelichting (Parl. St. Kamer 2002-2003, Doc 50, nr. 2044/001 en 2045/001) waar de Raad inderdaad leest als volgt:

“Enkele aspecten van de omzetting van die bepaling van de richtlijn ‘tijdelijke bescherming’ in artikel 57/34 van de wet van 15 december 1980, vereisen enig commentaar, omdat sommige aspecten een gunstiger karakter hebben.

1. Notie ‘familieleden’

a) Het werd ten aanzien van het Belgisch recht, niet mogelijk geacht om het recht op gezinshereniging van de familieleden van het kerngezin van de gezinshereniger (echtgenoot en minderjarige kinderen) te beperken tot één hypothese, namelijk dat de familie reeds gevormd was in het land van herkomst en gescheiden werd in gevolge de gebeurtenissen.

Gelet op het feit dat het regime van tijdelijke bescherming relatief lang kan duren (maximum drie jaar) werd er gekozen voor de toekenning van een machtiging tot verblijf van rechtswege aan deze personen, zelfs indien de familie werd gevormd op het moment dat de vreemdeling reeds begunstigde is van de tijdelijke bescherming in België.

Desalniettemin, krachtens § 4 van het artikel 57/34, zullen deze familieleden slechts zelf genieten van het regime van tijdelijke bescherming, indien zij voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van deze bescherming.”

Zoals verzoeker aanvoert, was het bijgevolg de uitdrukkelijke wil van de wetgever om geen familieleden van het kerngezin, zoals verzoeker als echtgenoot, van de tijdelijke bescherming als familielid uit te sluiten, als het gezin pas werd gevormd op het moment dat de echtgenote eerder reeds begunstigde was van de tijdelijke bescherming. De gemachtigde heeft in casu bijgevolg niet op zorgvuldige wijze rekening gehouden met het bepaalde in artikel 57/34 van de Vreemdelingenwet. 

Een schending van artikel 57/34 van de Vreemdelingenwet wordt aangenomen.