Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 337.853 - 16-12-2025

Samenvatting

In het EUAA-rapport “Country Guidance. Somalia” van oktober 2025 worden in het kader van VGV drie risicoprofielen onderscheiden:

(1) Voor meisjes die geen VGV hebben ondergaan, bestaat er in het algemeen een gegronde vrees voor vervolging in heel Somalië.

(“A well-founded fear of persecution would in general be substantiated in the case of girls who have not undergone FGM/C in the whole of Somalia, including South-Central Somalia, Puntland and Somaliland, as in Somalia, FMG/C is a widespread and deeply rooted practice, predominantly carried out on underage girls.”) 

(2) In het uitzonderlijke geval van vrouwen die niet aan VGV werden onderworpen moet bij de individuele beoordeling of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat een verzoekster alsnog aan VGV zal worden onderworpen, rekening worden gehouden met risicobepalende omstandigheden, in het bijzonder de leeftijd van de verzoekster, haar burgerlijke staat, de traditie binnen en de standpunten van haar familie over deze praktijk en het thuisgebied. De omstandigheden waarin de verzoekster om internationale bescherming erin geslaagd is om te voorkomen dat zij aan VGV wordt onderworpen, moeten ook de nodige aandacht krijgen.

(“For a woman in Somalia, not to have been subjected to FGM/C is very exceptional. The circumstances under which the applicant had managed to avoid being subjected to FGM/C should also be given due consideration. In the exceptional case that a woman had not undergone FGM/C, the individual assessment of whether there is a reasonable degree of likelihood, to face persecution should take into account risk-impacting circumstances, such as: Age (…) Marital status (…) Tradition and the views of family on the practice (…) Home area (…).”)

(3) Voor vrouwen en meisjes die reeds VGV hebben ondergaan, wordt een onderscheid gemaakt naargelang type besnijdenis. Vrouwen die type III (infibulatie) ondergaan hebben, kunnen geherinfibuleerd worden, bijvoorbeeld na een bevalling, bij vrouwen die om andere redenen dan een bevalling zijn gedesinfibuleerd, ongetrouwde meisjes of vrouwen die hun maagdelijkheid hebben verloren na een verkrachting of bij een voorhuwelijkse relatie, meisjes en vrouwen bij wie de infibulatie niet “correct” is gebeurd of om (vermeende) gezondheidsredenen. Vrouwen die een mildere vorm (type I of type II) ondergaan hebben, kunnen in bepaalde gevallen onderworpen worden aan een infibulatie (type III).

Er is uiteenlopende informatie wat betreft de prevalentie van verschillende vormen van herhaalde VGV. Bij de individuele beoordeling of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat een verzoekster bij terugkeer opnieuw aan VGV zal worden onderworpen, moet niettemin rekening worden gehouden met risicobepalende omstandigheden, zoals: leeftijd, burgerlijke staat en het al dan niet bevallen zijn, andere (familiale) percepties en tradities, type VGV dat werd ondergaan.

(“There is diverging information regarding the prevalence of different forms of repeated FGM/C. Nevertheless, the following considerations can be highlighted and the individual assessment of whether there is a reasonable degree of likelihood for woman and girls who have been subjected to FGM/C to undergo FGM/C again in the whole of Somalia, including South-Central Somalia, Puntland and Somaliland, should take into account risk-impacting circumstances, such as: Age and marital status (…) Other (family) perceptions and traditions (…) Type of FGM/C experienced (…).”)

Verzoekster bevindt zich in categorie (3) nu zij een besnijdenis type III (infibulatie) ondergaan heeft.

Hieronder worden eerst de risicobepalende omstandigheden in kaart gebracht (punt 4.3.6.1.) om vervolgens na te gaan of zij toelaten een gedegen beoordeling te maken van een redelijke waarschijnlijkheid dat verzoekster bij terugkeer naar Somalië opnieuw wordt blootgesteld aan vervolging (4.3.6.2).

(…)

De Raad acht de beschikbare elementen die verzoeksters context kenmerken niet voldoende om een gedegen beoordeling te maken van de redelijke waarschijnlijkheid dat zij bij terugkeer naar Somalië opnieuw wordt blootgesteld aan vervolging.

Ondanks verzoeksters verklaringen over de standpunten van haar echtgenoot en haar vrouwelijke familieleden (punt 4.3.6.1.), liet de protection officer na haar hierover verder te bevragen. Er werden geen vragen gesteld over (de omstandigheden van) de (eventuele) ondergane (her)besnijdens bij haar moeder, haar grootmoeder en overgrootmoeder en evenmin naar de eventuele traditie van besnijdenis bij de vrouwelijke familieleden van haar echtgenoot. Hoewel verzoekster zowel één jongere als één oudere zus heeft, peilde de protection officer evenmin naar hun respectievelijke (eventuele) ondergane (vorm van) besnijdenis. Voorts werd evenmin gevraagd naar de aard van de besnijdenis die haar echtgenoot voor ogen heeft indien verzoekster zal bevallen van een meisje. Het rechtsplegingsdossier laat ook niet toe een duidelijk beeld te vormen van (de omstandigheden van) verzoeksters huwelijk en desgevallend de wijze waarop zij en haar echtgenoot dit wensen ingevuld te zien, nu haar tijdens het persoonlijk onderhoud enkel werd gevraagd hoe zij elkaar kennen, waarop verzoekster aangaf dat zij en haar man verre clangenoten of vrienden waren (NPO, p. 8). De beschikbare informatie laat aldus niet toe om in de huidige stand van zaken een duidelijk beeld te vormen van de familiale percepties en tradities ten aanzien van de praktijk van VGV, verzoeksters gezinssituatie en meer bepaald (de omstandigheden van) haar huwelijk. Zoals aangestipt, heeft verzoekster tijdens het persoonlijk onderhoud indicaties gegeven van (een mate van) bewustwording, waarop de Raad een duidelijker zicht aangewezen acht. In dit verband wordt nog benadrukt dat verzoekster in de bestreden beslissing ten onrechte wordt verweten dat ze heeft gesproken over een hersteloperatie, maar dat ze die nog niet heeft ondergaan ondanks haar verblijf in België van twee jaar. De notities van het persoonlijk onderhoud laten niet toe tot dergelijke conclusie te komen. Verzoekster werd door de protection officer immers niet bevraagd naar haar standpunt over een eventuele hersteloperatie. Verzoekster gaf enkel aan dat zij zich niet heeft laten openen (NPO, p. 14). Bovendien getuigt het van weinig zorgvuldigheid dat de commissaris-generaal, bij de bespreking van het gebrek aan hersteloperatie, verzoekster in de bestreden beslissing omschrijft als een ongehuwde vrouw.

Rekening houdend met de zeer hoge prevalentiegraad van VGV in Somalië en de omstandigheid dat dergelijke praktijken zodanig cultureel zijn ingeburgerd, kan het verzoekster niet ten kwade worden geduid dat zij niet op eigen initiatief verdere verklaringen hierover heeft afgelegd. Het is daarom gepast te herhalen dat het persoonlijk onderhoud in de asielprocedure van fundamenteel belang is teneinde een zicht te krijgen op het geheel van factoren die de context van verzoekster kenmerken en teneinde deze naar behoren te kunnen beoordelen.

Teneinde verzoeksters concrete situatie te beoordelen aan de hand van het hierboven geschetste kader komt het aan de commissaris-generaal aldus toe om verzoekster uitvoeriger te horen en om haar verklaringen hierover te beoordelen in het licht van de beschikbare landeninformatie, tezamen bekeken met de objectieve medische gegevens die in huidige zaak voorliggen, evenals de persoonlijke omstandigheden van verzoeksters zaak om na te gaan of er goede redenen zijn om aan te nemen dat zij niet opnieuw zal worden onderworpen aan de reeds ondergane daad van vervolging bij een terugkeer naar Somalië.