Samenvatting
Zoals duidelijk blijkt uit het arrest Ouhrami gaat de duurtijd van het inreisverbod pas in na het vertrek van het grondgebied van de lidstaten. Uit randnummer 45 van voormeld arrest volgt eveneens dat een vreemdeling tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd het grondgebied van de Europese Unie, nadat hij dit heeft verlaten, niet opnieuw mag betreden en er niet mag verblijven gedurende de duur van het inreisverbod. Verder volgt uit randnummer 52 dat aan het doel van het inreisverbod afbreuk zou worden gedaan als een vreemdeling zich geheel of ten dele kan onttrekken aan de rechtsgevolgen ervan. Dit is niet alleen het geval als de duur van het inreisverbod zou ingaan of verstrijken terwijl de vreemdeling niet voldoet aan zijn terugkeerverplichting maar ook wanneer de duur van het inreisverbod volledig zou verstrijken wanneer een vreemdeling toch het grondgebied van de Europese Unie verlaat maar daarna terugkeert binnen de duur van het inreisverbod. Ook in dat geval kan de vreemdeling zich immers ten dele onttrekken aan de rechtsgevolgen van een inreisverbod. Opdat de duur van het inreisverbod als volledig verstreken kan worden beschouwd, is bijgevolg vereist dat de vreemdeling gedurende de volledige duur van het inreisverbod buiten de Europese Unie heeft verbleven. Bijgevolg is de duur van het inreisverbod geenszins volledig verstreken indien de vreemdeling na zijn vertrek uit de Europese Unie zich binnen de duur van dat inreisverbod opnieuw op het grondgebied van de Europese Unie begeeft. De Raad wijst er voorts op dat conform artikel 74/11, §1, eerste lid van de vreemdelingenwet – dat een omzetting vormt van artikel 11, tweede lid van de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de richtlijn 2008/115/EG) – de verwerende partij de duurtijd van het inreisverbod moet bepalen rekening houdende met de specifieke omstandigheden van het geval. De richtlijn 2008/115/EG voorziet niet in de mogelijkheid tot verlenging van de duurtijd. Bijgevolg begint de duurtijd van het inreisverbod niet opnieuw te lopen wanneer een vreemdeling in strijd met het geldend inreisverbod de Europese Unie toch opnieuw betreedt. Het inreisverbod moet evenwel wel als geschorst worden beschouwd wanneer de vreemdeling in strijd hiermee zich opnieuw bevindt in de Europese Unie. De duurtijd wordt hoogstens tijdelijk onderbroken en begint wederom te lopen van zodra de vreemdeling opnieuw het grondgebied van de Europese Unie heeft verlaten.
Toegepast op onderhavig geval is de duur van het inreisverbod ten vroegste beginnen te lopen op 20 mei 2013, datum waarop verzoeker werd gerepatrieerd naar Marokko. Bij een ononderbroken verblijf van verzoeker buiten het grondgebied van de Europese Unie zou de duur van het inreisverbod in mei 2021 verstrijken en zou verzoeker, tenzij hij ondertussen conform artikel 74/12 van de vreemdelingenwet de opschorting of opheffing van het inreisverbod zou hebben gevraagd en verkregen, vanaf die datum opnieuw toegang kunnen krijgen tot het Schengengrondgebied.
Uit de beschikbare gegevens blijkt evenwel dat verzoeker binnen het jaar na zijn (gedwongen) repatriëring in 2013 het Schengengebied opnieuw is ingereisd. Vanaf dat moment wordt het tijdvak waarvoor het inreisverbod geldt dus bevroren, tot een eventueel nieuw vertrek naar een land buiten de Schengenzone. Er blijkt niet – en verzoeker voert dit ook niet aan – dat hij na zijn inreis binnen het jaar na zijn repatriëring het grondgebied van de Europese Unie wederom zou hebben verlaten. Derhalve valt hij op heden dus nog steeds onder een inreisverbod waarvan het tijdvak niet is verstreken en kan hij niet worden gevolgd in zijn betoog dat de bestreden beslissing gebaseerd zou zijn op een “vervallen sanctie”.