Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 339.003 - 8-01-2026

Samenvatting

Verzoeker voert in het verzoekschrift aan dat zijn Canadese verblijfsrecht onder MOME2023 geen effectieve en duurzame bescherming biedt omdat het een uitzonderlijke en humanitaire maatregel is. Inzake verzoekers verblijfssituatie en documenten stelt de bestreden beslissing:

“U legt een Canadese werkvergunning neer uitgegeven binnen het kader van deze “Israeli-Palestinian Temporary Public Policy. MOME2023.”, aldus deze code (document 4). Deze werkvergunning staat u toe om te werken vanaf 25 september 2024 tot 25 juni 2027. Daarnaast legt u een kopie van uw paspoort neer met Canadees visum geldig van 10 maart 2024 tot 31 maart 2028 (document 5). De werkvergunning staat u toe drie jaar te verblijven en werken op het Canadese grondgebied. Ook kan u een tijdelijke gezondheidsverzekering krijgen. Ten slotte is er u ook de mogelijkheid om kosteloos uw verblijfsvergunning en werkvergunning te verlengen, alsook financiële hulp aan te vragen (te raadplegen op https://www.canada.ca/en/immigration-refugees-citizenship/services/isra… & zie specifieke informatie toegevoegd aan het administratief dossier

Wat betreft uw verblijf in Canada, stelt het CGVS vast dat u werd toegelaten tot het Canadese territorium op basis van een “V1 multiple-entry visitor” visum (zie document 5).”

Het staat buiten betwisting dat verzoeker beschikt over een “multiple-entry” visum dat geldig is tot 31 maart 2028. Het is derhalve verzoeker toegelaten om tot 31 maart 2028 in Canada te verblijven, minstens toont hij op geen enkele concrete wijze aan dat dit onmogelijk zou zijn. Verder is verzoeker in het bezit van een tijdelijke werkvergunning tot juni 2027.

Verzoeker voert aan dat dit tijdelijke en discretionaire verblijfsrechten zijn die geen enkel recht op permanent verblijf of duurzame bescherming bieden. Verzoeker beroept zich echter op mogelijke toekomstperspectieven inzake permanent verblijf die vreemd zijn aan zijn actuele legale verblijfsituatie in Canada. 

Verzoeker brengt geen enkel concreet element bij waaruit duidelijk zou kunnen blijken dat hij, gelet op zijn geldig “multiple-entry” visum, niet zou worden toegelaten tot het grondgebied van Canada (cf. artikel 57/6/6, § 2 van de Vreemdelingenwet).

Ten overvloede kan worden opgemerkt dat het voorliggend verzoek om internationale bescherming in België, indien dit positief zou beoordeeld worden door de Belgische autoriteiten, evenmin een recht op een permanente en definitieve verblijfstatus inhoudt.

Verder wordt niet betwist dat Canada, dat lid is bij tal van internationale verdragen, gebonden is door (onder meer) het non-refoulementbeginsel en dat dit beginsel ook in de praktijk wordt nageleefd.

Te dezen dient te worden vastgesteld dat de artikelen 57/6, § 3, eerste lid, 2° en 57/6/6, § 1 en § 2 van de Vreemdelingenwet geenszins aangeven dat Canada slechts als veilig derde land kan worden aangemerkt indien verzoeker er internationale bescherming zou hebben of kunnen verkrijgen. Deze artikelen stipuleren enkel dat in Canada de mogelijkheid moet bestaan om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Verdrag van Genève. De loutere verklaring dat de Canadese wetgeving een uitsluitingsclausule bevat voor personen die langer dan één jaar in Canada verblijven toont niet aan dat verzoeker thans de Canadese vluchtelingenprocedure zou moeten doorlopen aangezien hij nog over een wettelijk verblijf beschikt tot maart 2028.

Verder blijkt uit de landeninformatie in het administratief dossier (groene map documenten, stuk 14) dat verzoeker zich beroept op voorziene maatregelen in de ‘Strong Borders Act’, zoals omschreven in het document dat dateert van 17 juni 2025. Er is evenwel geen informatie voorhanden dat deze voorziene wetgeving reeds van kracht is. Uit deze informatie blijkt dat asielaanvragen door onder meer personen met een tijdelijke verblijfsvergunning niet meer zouden worden doorgestuurd naar de Immigration and Refugee Board of Canada (IRB). Deze informatie stelt echter ook duidelijk: “People whoa are affected by the proposed inelegibility provisions may still apply for a pre-removal risk assessment (PRRA). Like an IRB review, the PRRA process will still take into account each claimant’s situation and may still result in refugee protection being granted. This process prevents people from being sent back to a country where they face risks like persecuition, torture or other harm” (vrije vertaling: “Mensen die getroffen worden door de voorgestelde bepalingen inzake uitsluiting, kunnen nog steeds een aanvraag indienen voor een risicobeoordeling vóór verwijdering (PRRA). Net als bij een IRB-beoordeling wordt bij de PRRA-procedure nog steeds rekening gehouden met de situatie van elke aanvrager en kan deze nog steeds leiden tot het toekennen van vluchtelingenbescherming. Deze procedure voorkomt dat mensen worden teruggestuurd naar een land waar ze risico's lopen zoals vervolging, foltering of ander letsel.”). Verzoeker heeft, zelfs al is hij in het bezit van een tijdelijke verblijfstitel, aldus nog steeds de mogelijkheid om de vluchtelingenstatus te bekomen.

In het kader van de artikelen 57/6, § 3, eerste lid, 2° en 57/6/6, § 1 en § 2 van de Vreemdelingenwet is het niet aan de Belgische asielinstanties om (opnieuw) verzoekers vrees ten aanzien van een verblijf in Gaza inhoudelijk te toetsen. Het was net de bedoeling van de wetgever om de praktijk waarbij asielzoekers zelf vrij hun land van asiel kiezen te doorbreken. De essentie van internationale bescherming is immers dat iemand zich in veiligheid moet kunnen brengen indien hij/zij een gegronde vrees voor vervolging koestert dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt. Het kan dan ook niet de bedoeling zijn dat iemand voorafgaand in meerdere veilige landen verblijft om vervolgens een verzoek om internationale bescherming in te dienen in het land met de meest gunstige socio-economische omstandigheden (Parl.St. Kamer, 2016-2017, nr. 54-2548/001, p. 12).

Het onderzoek van de commissaris-generaal vergt wel dat er voor het betrokken derde land wordt nagegaan of er een effectief asielsysteem bestaat dat is vastgelegd in de wet en het betreffende land in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen naleeft, waaronder het beginsel van non-refoulement (Parl.St. Kamer, 2016-2017, nr. 54-2548/001, p. 129). Het wordt te dezen niet betwist dat Canada partij is bij internationale verdragen (waaronder de Conventie van Genève betreffende de Status van Vluchtelingen en Aanvullend Protocol van New York betreffende de Status van Vluchtelingen, het VN Antifolterverdrag, en het VN Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten) die het land juridisch binden op het vlak van mensenrechten, het non-refoulementbeginsel, de toegang tot de asielprocedure en mogelijkheid om er de vluchtelingenstatus te verzoeken of het garanderen van een effectieve bescherming, alsook dat het naleven van voornoemde standaarden in de praktijk de regel vormt en er geenszins sprake zou zijn van systematische of structurele gebreken hieromtrent.

Verzoeker argumenteert ten onrechte dat verweerder stelt “dat de aanwezigheid van verzoekers moeder en zus voldoende familiale bescherming zou bieden”. Verweerder motiveert echter geenszins over bescherming die kan worden geboden door zijn familie in Canada. Verweerder wijst erop dat de aanwezigheid van zijn familie (zus en moeder), overeenkomstig artikel 57/6/6, § 2 van de Vreemdelingenwet, een “zodanige band” vormt met Canada dat het redelijk is van verzoeker te verwachten dat hij naar Canada gaat. Verweerder motiveert in deze terecht als volgt: “Wat betreft het gegeven dat er in uw hoofde tevens sprake moet zijn van een zodanige band met Canada dat het voor u redelijk zou zijn om ernaartoe te gaan, wijst het CGVS op de aanwezigheid van uw zus R[...] (en uw moeder) (cfr. supra). Dat de sfeer grimmig werd in uw familie door uw echtscheidingsprocedure kan moeilijk als een belemmering worden gezien; evenmin het gegeven dat u stelt dat u op uw eentje er geen woning kan bekostigen (CGVS, p.16). U beschikt er over een nog steeds geldige werkvergunning die u in staat moet stellen in uw eigen onderhoud te kunnen voorzien. Op het moment dat u in november 2025 naar België kwam was uw paspoort nog geldig tot 1 april 2028 en heeft u een “multiple entry” visum voor Canada, geldig tot 31 maart 2028 (document 5).”

De situatie van verzoekers huwelijk in Canada (een lopende echtscheiding) toont in casu niet aan dat verzoeker niet naar Canada zou kunnen gaan gelet op zijn paspoort dat nog geldig is tot 1 april 2028 en het “multiple entry” visum voor Canada dat geldig is tot 31 maart 2028.

De Raad merkt ten overvloede op dat uit verzoekers verklaringen bij verweerder inzake zijn studies en verblijf in Gaza, alsook de omstandigheden van zijn vertrek uit Gaza via de hulp van de Canadese autoriteiten, duidelijk blijkt dat verzoeker zeker zelfredzaam genoeg is om, ondanks de voorgehouden familiale problemen, middels zijn nog steeds geldige werkvergunning en reeds uitgevoerde professionele talken aldaar, opnieuw in Canada te verblijven.

Gelet op het geheel van wat voorafgaat blijkt dat Canada voor verzoeker als een veilig derde land in de zin van artikel 57/6/6 van de Vreemdelingenwet kan worden beschouwd. Bovenstaande vaststellingen volstaan om het beroep te verwerpen.