Samenvatting
Verzoekers houden voor dat zij uit de bestreden beslissing niet kunnen afleiden waarom het overlijden van de referentiepersoon tot gevolg zou hebben dat hun beperkt verblijf niet verder kan worden verlengd. Uit de voorgaande vaststellingen blijkt echter duidelijk dat verzoekers enkel een afgeleid verblijf hadden verkregen in functie van het verblijf van hun zieke vader/echtgenoot. In de reeds aangehaalde beslissing van 20 april 2023 wordt duidelijk gesteld dat de verdere verlenging van het beperkt verblijf “zal onderworpen worden aan een medische herevaluatie en aan een voorafgaand akkoord door de Dienst Medisch Verblijf van de Afdeling Uitzonderlijk Verblijf”. Hierbij werd er, als “voorwaarde”, ook op gewezen dat de echtgenoot/vader van verzoekers een nieuw en recent standaard medisch getuigschrift diende voor te leggen. Verder wordt nog gesteld dat er “bijkomende voorwaarden” worden opgelegd aan diens familieleden, waardoor er nogmaals (impliciet) wordt gesteld dat verzoekers enkel een afgeleid verblijf hadden verkregen.
Verzoekers kunnen niet volhouden dat zij niet wisten – of dienden te weten – dat hun beperkte verblijf een afgeleid verblijf betrof van dat van hun zieke echtgenoot/vader, wat zij trouwens erkennen in hun verzoekschriften, en dit dus impliceerde dat zij geen verlenging van hun tijdelijke verblijf op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet konden verkrijgen na het overlijden van hun echtgenoot/vader. Dit is de logica zelve, waardoor ook niet blijkt dat zij hier nog eens bijkomend op dienden te worden gewezen voor het nemen van de bestreden beslissing. De gevolgen van het overlijden van hun echtgenoot/vader blijken reeds duidelijk uit de voorwaarden die waren opgenomen in de beslissing van 20 april 2023, namelijk dat geen verlenging van verzoekers’ verblijf mogelijk was zonder een (verlengd) verblijf van de referentiepersoon. Zij betwisten noch weerleggen ook het eigenlijke motief van de bestreden beslissing dat als gevolg van het overlijden van hun echtgenoot/vader hun verzoek tot (verdere) verblijfsmachtiging op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet zonder voorwerp is geworden. Evident diende, opdat verzoekers een verlenging van hun afgeleide verblijfsmachtigingen onder artikel 9ter van de Vreemdelingenwet kon worden toegestaan, nog steeds te zijn voldaan aan de voorwaarden voor een verblijf onder dit wetsartikel en zij konden er niet van onwetend zijn dat dit niet langer het geval was ingevolge het overlijden van de zieke referentiepersoon.
Artikel 9ter van de Vreemdelingenwet voorziet nergens in een mogelijk autonoom verder tijdelijk verblijf voor de gezinsleden van een ziekte vreemdeling na diens overlijden. Er blijkt ook niet dat op verweerder enige verplichting rustte om uit eigen beweging te onderzoeken of verzoekers een autonoom verblijf op een andere grond kan worden toegekend. Nu de bestreden beslissing geen terugkeer- of verwijderingsbeslissing is en hiermee ook niet gepaard gaat, kunnen verzoekers de nodige stappen zetten om hun persoonlijke situatie in het kader van de geëigende verblijfsprocedure ter beoordeling voor te leggen aan het bestuur, om zo op autonome gronden te worden toegelaten of gemachtigd tot een verblijf. Zij blijken dit inmiddels ook te hebben gedaan, nu zij op 9 september 2025 een verblijfsaanvraag op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet hebben ingediend.
Verzoekers hebben verder geen belang bij hun kritiek dat verweerder geen eerdere beslissing heeft genomen aangaande hun verblijf, na het overlijden van de referentiepersoon, en zij gewoon de resterende periode van het reeds toegekende beperkt verblijf van twee jaar verder in België mochten verblijven, zonder dat hun verblijf voor het geplande einde werd beëindigd. Zij hebben zo net in alle rust het overlijden van hun gezinslid kunnen verwerken en de nodige tijd gekregen om eventuele andere verblijfsprocedures voor te bereiden of op te starten. Er blijkt ook niet dat dit niet reeds mogelijk was toen ze nog onder A-kaarten stonden.