Hof van beroep Brussel - 2021/AR/1478 - 17-02-2026

Samenvatting

Aangezien geen gedwongen verwijdering mogelijk was, konden de artikelen 7 en 27 van de Vreemdelingenwet geen basis vormen voor een vrijheidsberoving. Die was bijgevolg onwettig en onrechtmatig, wat betekent dat de heer een fout beging door de vrijheidsberoving te handhaven nadat de heer - het genoemde beroep had ingesteld, op 25 september 2018.

De Belgische Staat kan zich terzake niet beroepen op een onoverwinnelijke dwaling die erin gelegen zou zijn dat de Staat ervan uitging - daarin gevolgd door de Raadkamer Tongeren en de Kamer van Inbeschuldigingstelling Antwerpen - dat het verzoek tot gezinshereniging van de haar voor onbestaande moest worden gehouden zodat hij op dat vlak ook geen rechtsmiddel kon instellen.

Die foutieve aanname kan geen onoverwinnelijke dwaling genoemd worden. De Belgische Staat (de Dienst Vreemdelingenzaken) besliste immers over een aanvraag gezinshereniging en de heer stelde daartegen beroep in. Dat betreft feitelijkheden die onbetwistbaar zijn en ook niet betwist worden door de Belgische Staat. Die feiten volstaan om de schorsende werking van artikel 39/79, §1, van de Vreemdelingenwet mee te brengen. Of de aanvraag en het rechtsmiddel al dan niet terecht, ontvankelijk of gegrond zijn, kan voorafgaand aan de beslissing over het rechtsmiddel uiteraard nog niet als een vaststaand gegeven in aanmerking worden genomen. Daarmee zou men de effectiviteit van dat rechtsmiddel uithollen, de rechtsmacht en het gezag van de instantie die er moet over oordelen onderuit halen en de schorsende werking van artikel 39/79, §1, van de Vreemdelingenwet schenden. De aanname waarop de Belgische Staat zich beroept, kan onmogelijk als onoverwinnelijke dwaling bestempeld worden omdat die aanname een ontkenning inhoudt van de feiten waarvan de Belgische Staat onmiskenbaar kennis had en fundamentele rechtsbeginselen kennelijk schendt. Die voorgehouden dwaling is dan ook niet verschoonbaar of onoverwinnelijk, het betreft een aan de Belgische Staat verwijtbare vergissing.

Aan een en ander wordt geen afbreuk gedaan door het gegeven dat de heer op 9 oktober 2018 een nieuw verzoek tot internationale bescherming indiende, waarna de Dienst Vreemdelingenzaken op 11 oktober 2018 besliste de heer in een welbepaalde plaats vast te houden op grond van artikel 74/6, §1, 1 °, 3° en 4°, van de Vreemdelingenwet. Die nieuwe en parallel gevoerde procedure om tot een verblijfsrecht in België te kunnen komen, verandert niets aan de procedure die de heer voerde op grond van artikel 40ter van de Vreemdelingenwet en het daaraan verbonden gevolg van schorsing van een gedwongen verwijdering.

Er anders over oordelen, zou die schorsing zonder aanvaardbare reden - want enkel in het nadeel van de zich in een precaire situatie bevindende vreemdeling en ter 'bestraffing' van een nieuwe wanhoopspoging door de vreemdeling - buiten werking stellen. Het kan evenwel niet de bedoeling zijn van het onontwarbare kluwen van de regelgeving inzake het verblijfsrecht in België - dat gemaakt lijkt om de rechtsonderhorige de weg te laten verliezen en om de administratieve en rechtsprekende instanties op contraproductieve wijze telkens opnieuw te belasten met een identieke feitelijke problematiek waarover al werd geoordeeld - de vreemdeling te sanctioneren voor de rechten die hij er (per vergissing) meent uit te kunnen putten, in die zin dat hij andere door die regelgeving verleende, en al effectief verworven, rechten (in deze zaak: de schorsing van gedwongen tenuitvoerlegging en het verval van een grondslag voor vasthouding) zou verliezen. Een ander of nieuw initiatief vanwege de vreemdeling - en de nieuwe beslissingen van de administratieve overheden als reactie daarop - hebben geen invloed op al verworven rechten, zeker niet wanneer dat nieuwe initiatief kennelijk onontvankelijk is, er niet kan vastgesteld worden dat het er is gekomen met bijstand van een advocaat en er geen enkele impact van uit ging op de feitelijke situatie of kenmerken van de betrokkene (zoals in deze zaak het geval was). In voorliggend geval betekent dit dat de geldigheid van het op artikel 40ter van de Vreemdelingenwet gesteunde beroep en het schorsende effect dat artikel 39/79, §1, van de Vreemdelingenwet eraan verleent - die meebrengen dat een vasthouding niet langer wettelijk en feitelijk verantwoord is - niet buiten werking mogen worden gesteld. 

Bovendien moet ook de overheid die beslist over een nieuwe aanvraag vanwege de vreemdeling, het integrale administratieve dossier van die vreemdeling in ogenschouw nemen en aldus nagaan wat zijn actuele situatie op het vlak van gedwongen verwijdering is. Indien een oordeel moet worden geveld op het moment dat de wet een schorsing van de gedwongen verwijdering oplegt, moet de administratieve overheid bij het nemen van een nieuwe beslissing daar gevolg aan geven en kan zij die wettelijke gevolgen niet terzijde schuiven middels een nieuwe vrijheidsberoving met het oog op verwijdering van de vreemdeling.

Op het moment van de beslissingen tot vasthouding van 11 oktober 2018 (op grond van artikel 74/6 van de Vreemdelingenwet) en van 27 september 2018 en 23 november 2018 (op grond van artikel 27, §3, van de Vreemdelingenwet) was de administratieve overheid ervan op de hoogte dat de heer niet gedwongen van het Belgische grondgebied mocht worden verwijderd en had zij bijgevolg geen aanvaardbare reden om in weerwil daarvan tot vrijheidsberoving over te gaan. Ook in die beslissingen schuilt derhalve een foutief optreden vanwege de Belgische Staat.

Het hof besluit dat de heer het bewijs levert van een fout van de Belgische Staat.