Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 334.150 - 10-10-2025

Samenvatting

Gelet op wat voorafgaat kan de verwerende partij niet overtuigen dat opdat de verzoekende partij, derdelander-ouder van een minderjarige Unieburger, een afgeleid verblijfsrecht kan bekomen in functie van haar kind, zij moet aantonen dat zij het kind begeleidt, dat dit niet het geval is, daar een vader die twee jaar na het kind arriveert geen begeleidende rol uitoefent in de zin van de wet, dat de interpretatie van de term ‘begeleiden’ waarbij een ouder zich jaren later kan beroepen op het verblijfsrecht op basis van een eerdere binnenkomst van het kind, ingaat tegen de zin van het wetsartikel en zou leiden tot een oneigenlijk gebruik van artikel 40bis van de Vreemdelingenwet. 

Nu enerzijds blijkt dat artikel 40bis van de Vreemdelingenwet, meer bepaald in de vierde paragraaf, eerste lid, nog steeds het verblijfsrecht toekent aan derdelander-familieleden die de burger van de Unie begeleiden of zich bij hem voegen en anderzijds ook blijkt dat bij het beoordelen of een afgeleid verblijfsrecht aan een derdelander-ouder van een minderjarige Unieburger kan worden toegekend in de gastlidstaat waar de minderjarige Unieburger, na het uitoefenen van zijn recht op vrij verkeer, verblijft, geen “onderscheid behoeft te worden gemaakt naargelang de personen met de nationaliteit van derde landen vóór of na de burger van de Unie die lidstaat zijn binnengekomen”, kan in de zinsnede “voor zover zij de minderjarige burger van de Unie op het Belgische grondgebied begeleiden”, vermeld in het op het ogenblik van de bestreden beslissing geldende artikel 40bis, §2, eerste lid, 5° van de Vreemdelingenwet, te meer gelet op het gebrek aan een dergelijke indicatie hiervoor in de voorbereidende werken, geen voorwaarde van gezamenlijke grensoverschrijding gelezen worden. 

Gelet op wat voorafgaat kan de verwerende partij in haar verweernota niet dienstig betogen dat de verzoekende partij die bijna twee jaar later komt opdagen zich niet kan beroepen op de hoedanigheid van begeleider van de minderjarige Unieburger, daar een dergelijke mogelijkheid de continuïteit en de feitelijkheid van het daadwerkelijk begeleiden miskent.