Samenvatting
Verzoeker verwees in zijn aanvraag concreet naar elementen die betrekking hebben op zijn privéleven en die het volgens hem bijzonder moeilijk maken om een verblijfsvergunning buiten het Belgische grondgebied aan te vragen, namelijk de vrees om zijn baan te verliezen indien hij naar Kameroen zou moeten terugkeren. Zo stipte hij ook aan op 19 september 2019 een verzoek om internationale bescherming te hebben ingediend en pas op 30 april 2024 in kennis gesteld geweest te zijn van de beslissing van het CGVS. Ook in de aanvraag heeft hij aangehaald een contract van onbepaalde duur te hebben sinds 1 september 2022 en werkt hij in een Belgisch bedrijf. In het kader van dit werk heeft verzoeker een netwerk van vrienden ontwikkeld met wie hij een sterke band opbouwde. Hij haalde aan te vrezen zijn werk te verliezen, nl. de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, indien hij naar Kameroen zou moeten terugkeren. Hij legde dienaangaande een door zijn werkgever afgegeven werkcertificaat voor, waarin wordt benadrukt dat verzoeker een voorbeeldige werknemer is en dat hij zowel in de omgang met klanten en collega’s blijk geeft van professionaliteit.
Verzoeker stelt het Rijk nooit verlaten te hebben en het Frans te beheersen. Hij voert in de aanvraag aan dat zijn aanwezigheid essentieel is, aangezien hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft sinds september 2022. Terugkeren naar het land van herkomst om te trachten de vereiste vergunningen te verkrijgen zou kunnen leiden tot ‘een moeilijk te herstellen schade’. Hij kadert dit in fine van de aanvraag binnen artikel 8 van het EVRM.
De gemachtigde motiveert in de bestreden beslissing dat het verblijf van verzoeker slechts voorlopig was toegestaan in het kader van zijn verzoek om internationale bescherming en het feit dat er “vertraging, zelfs onredelijk lang, werd opgelopen” in de asielprocedure, verzoeker echter geen mogelijkheid gaf om beroep te doen op welk recht van verblijf dan ook. Het kan de bevoegde instanties niet kwalijk worden genomen dat zij hun tijd namen om de zaak zorgvuldig te onderzoeken. Ook het feit dat verzoeker tewerkgesteld was, vormt geen buitengewone omstandigheid volgens de gemachtigde aangezien deze tewerkstelling uitsluitend werd toegestaan zolang zijn VIB-procedure niet was afgesloten zodat verzoeker tijdens zijn verblijf in België in zijn eigen levensonderhoud kon voorzien. Thans dient verzoeker bij de gevoegde diplomatieke en consulaire post de nodige vergunningen via de geijkte procedure aan te vragen.
Verder wordt in de bestreden beslissing verwezen naar artikel 8 van het EVRM met betrekking tot de emotionele, vriendschappelijke en sociale banden van verzoeker. De gemachtigde stelt vast dat de verplichting om terug te keren naar het land van herkomst geen breuk van de sociale relaties betekent maar enkel een eventuele tijdelijke verwijdering van het grondgebied wat geen ernstig en moeilijk te herstellen nadeel met zich meebrengt. Ter staving van de sociale banden stelt de gemachtigde dat verzoeker één verklaring voorlegt van zijn werkgever. Deze verklaring toont volgens de gemachtigde niet aan dat verzoeker een privéleven heeft van een zodanige aard en intensiteit dat dit onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM valt. De tijdelijke scheiding met het oog op het vervullen van de noodzakelijke formaliteiten ter voldoening van de wettelijke bepalingen, verstoort het privéleven van verzoeker niet in die mate dat er sprake zou zijn van een schending van artikel 8 van het EVRM, aldus de gemachtigde.
De Raad stelt vast dat uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat het Hof benadrukt dat artikel 8 van het EVRM eveneens het recht beschermt om banden te ontwikkelen en te onderhouden met de zijnen en met de buitenwereld (EHRM 29 april 2002, Pretty t. Verenigd Koninkrijk, nr. 2346/02, § 61, 2002-III; EHRM 12 september 2012, Nada/Zwitserland (GK), § 151; EHRM 16 december 2014, Chbihi Loudoudi en anderen/België, § 123 ) en dat deze term soms eveneens aspecten van de sociale identiteit van het individu opneemt (EHRM 7 februari 2002, Mikulic t. Croatië, nr. 53176/99, §53, 2002-I). Het Hof vervolgt dat men moet aannemen dat het geheel van sociale banden tussen gevestigde immigranten en de gemeenschap waarin zij leven integraal deel uitmaken van het begrip “privéleven” in de zin van artikel 8. Onafhankelijk van het bestaan van een familieleven of niet, beschouwt het Hof dat in het kader van de verwijdering van een gevestigde vreemdeling een analyse zich opdringt in de zin van een inmenging in zijn recht op een privéleven (eigen vertaling EHRM 18 oktober 2006, Uner t. Nederland, nr. 46410/99, § 59). Ook beroepsactiviteiten vallen binnen de term “privéleven” (EHRM 16 december 1992, 13710/88, Niemitz t. Duitsland, punt 29).
In casu kan de Raad niet anders dan vaststellen dat verzoeker een punt heeft dat zijn procedure volgend op zijn verzoek om internationale bescherming maar liefst meer dan vijf jaar heeft geduurd, met een VIB op 19 september 2019, een beslissing van het CGVS op 30 april 2024 en een arrest van de Raad op 4 oktober 2024. Dit vindt steun in het administratief dossier. Verzoeker wijst er geheel terecht op dat die periode een zeer lange periode van (precair doch) legaal verblijf betreft, tijdens dewelke hij ook heeft aangetoond sterke banden te hebben opgebouwd, aangezien hij op het ogenblik van zijn aanvraag om een humanitaire regularisatie al bijna twee jaar werkte met een arbeidscontract van onbepaalde duur. Zoals verzoeker aanvoert, heeft de gemachtigde op deze uitzonderlijke situatie louter een algemene redenering toegepast, die in casu niet als afdoende kan worden beschouwd.
Waar de gemachtigde immers stelt dat er een zekere “vertraging” is opgelopen, en erkent dat deze onredelijk lang was, stelt hij op gestandaardiseerde wijze dat het de instanties niet ten kwade kan worden geduid de zaak zorgvuldig te hebben onderzocht en “hiervoor de nodige tijd te hebben genomen”. Ook al erkent de Raad dat de instanties de nodige tijd moeten krijgen voor een zorgvuldig onderzoek van een VIB, blijkt ten indicatieve titel wel uit artikel 31, 3 van de Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking) dat “[d]e lidstaten (…) ervoor (zorgen) dat de behandelingsprocedure binnen zes maanden na de indiening van het verzoek wordt afgerond.” Het feit dat een procedure bijna vier jaar bij het CGVS heeft geduurd, is een buitengewone situatie waaromtrent men niet op afdoende, noch op redelijke wijze kan motiveren dat enige vertraging te wijten is aan een zorgvuldig onderzoek. Ook het motief dat “een zekere behandelingsperiode” aan verzoeker ipso facto geen recht op verblijf geeft, kan in dit uitzonderlijk dossier niet beschouwd worden als een afdoende, noch een redelijke motivering. Bovendien ligt ten overvloede de vraag in dit stadium niet voor of verzoeker een recht op verblijf heeft, doch wel of er een buitengewone omstandigheid is, die verantwoordt dat verzoeker de aanvraag in België mag indienen.
Hetzelfde kan gesteld worden aangaande de motieven waarmee de gemachtigde heeft gemotiveerd over de legale tewerkstelling van verzoeker op basis van een contract van onbepaalde duur en de ‘ernstige schade’ die hij in de aanvraag inroept, meer bepaald het verlies van zijn vast werk van onbepaalde duur, dat hij al twee jaar legaal uitoefende op het moment van de aanvraag. De gemachtigde motiveert in het licht van artikel 8 van het EVRM wel over het feit dat een tijdelijke scheiding geen schending zou uitmaken van die verdragsbepaling wat betreft zijn sociale kring (vrienden en kennissen) maar motiveert niet afdoende over het vermoedelijk verlies van zijn vast werk indien verzoeker tijdelijk zou moeten terugkeren naar het land van herkomst. De gemachtigde motiveert louter dat het attest van de werkgever niet getuigt van relaties van zodanige aard en intensiteit dat zij onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM zouden kunnen vallen. Hierbij gaat de gemachtigde eraan voorbij dat volgens het arrest Niemitz t. Duitsland van 16 december 1992 ook beroepsactiviteiten onder privéleven vallen. Het Hof stelde daarin: “There appears, furthermore, to be no reason of principle why this understanding of the notion of "private life" should be taken to exclude activities of a professional or business nature since it is, after all, in the course of their working lives that the majority of people have a significant, if not the greatest, opportunity of developing relationships with the outside world.” Zoals het Hof bevestigt, is het juist in het kader van iemands werk dat de meerderheid van de mensen een grote kans hebben om contacten te ontwikkelen. In casu heeft verzoeker ook aangestipt in de aanvraag dat hij in dat kader zijn contacten heeft kunnen ontwikkelen, hetgeen niet onaannemelijk is gezien de tewerkstelling niet van korte duur was en gezien de aard van het werk.
Verder motiveert de gemachtigde in de bestreden beslissing dat ‘Het (…) bovendien niet kennelijk onredelijk (is) dat een mogelijke tewerkstelling in België pas als argument voor een verblijfsvergunning kan worden ingeroepen indien de wettelijk vereiste vergunningen voor deze tewerkstelling daadwerkelijk werden verkregen (RVV, arrest nr. 262000 van 11 oktober 2021). Betrokkene staat het evenwel vrij om bij de bevoegde diplomatieke of consulaire post in zijn land van herkomst of in zijn huidige land van verblijf de nodige vergunningen via de geijkte procedure aan te vragen op basis van een arbeidsovereenkomst.’ De Raad wijst erop dat het feit dat er een procedure bestaat om vanuit het buitenland een verblijfs- en arbeidsvergunning aan te vragen er niet aan in de weg staat dat de gemachtigde in casu in deze fase van de 9bis-procedure diende te onderzoeken of verzoeker in zijn aanvraag een buitengewone omstandigheid heeft aangehaald, die het voor hem bijzonder moeilijk maakt om zijn humanitaire regularisatieaanvraag vanuit de Belgische bevoegde post in het buitenland aan te vragen. In deze fase van de procedure ligt de vraag dus nog niet voor of het arbeidscontract van onbepaalde duur dat hij reeds had sedert 2022 een ‘argument is voor een verblijfsvergunning’, doch wel of dat werk het voor hem bijzonder moeilijk maakte om zijn aanvraag in Kameroen in te dienen. Ook al kan de Raad de gemachtigde volgen dat de tewerkstelling werd toegestaan zolang de VIB-procedure niet was afgesloten en dit hem in staat moest stellen tijdens zijn verblijf in België in zijn eigen levensonderhoud te voorzien, volgt de Raad verzoeker wederom dat deze algemene redenering in casu niet afdoende is, noch redelijk omdat in deze uitzonderlijke zaak die VIB-procedure wel meer dan vijf jaar in beslag heeft genomen en verzoeker heeft voorgelegd dat hij in die periode van (precair doch) legaal verblijf langdurig heeft gewerkt onder een contract van onbepaalde duur.
De Raad moet dus met verzoeker vaststellen dat noch afdoende, noch redelijk is gemotiveerd in de bestreden beslissing over de twee supra aangehaalde buitengewone omstandigheden die in de aanvraag werden uiteengezet. De motivering is immers niet evenredig aan het gewicht van de bestreden beslissing.
Er blijkt evenmin dat de gemachtigde op zorgvuldige wijze het beschermingswaardig karakter van het privéleven in het licht van artikel 8 van het EVRM heeft onderzocht, noch is overgegaan tot een fair balance.
Een schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 en van de materiële motiveringsplicht in het licht van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet wordt aangenomen. Er is ook een schending van artikel 8 van het EVRM, wat betreft het privéleven, aangetoond.