Samenvatting
In het administratief dossier bevindt zich een kaart geldig van 4 augustus 2021 tot 3 augustus 2031, een formulier en een attest met vermelding van verzoeksters gegevens (AD CGVS, landeninformatie, stukken 1-3). De commissaris-generaal omschrijft deze documenten respectievelijk als volgt: een Iraakse nationale kaart, een aanvraag van een paspoort en een uittreksel van de burgerlijke stand.
Nu de commissaris-generaal geen vertaling bijvoegt van voormelde documenten, kan niet worden nagegaan wat de precieze aard is van de documenten en wat erin te lezen staat. Dit is nochtans noodzakelijk om te weten welke concrete stappen alsook de aard ervan die verzoekster ondernomen heeft en of dit beschouwd kan worden als een intentie om opnieuw aanspraak te maken op de bescherming van het land van herkomst en of die bescherming daadwerkelijk zou worden geboden.
De commissaris-generaal concludeert dat verzoekster vrijwillig teruggekeerd is naar Irak en dat zij er zich, minstens voor het verkrijgen van haar nationale kaart, gewend heeft tot haar eigen autoriteiten in Bagdad. De commissaris-generaal komt tot die vaststelling op grond van informatie toegevoegd aan het administratief dossier met name het vertaalde Noorse rapport Irak, Civil registry, ID documents and passports, 2 december 2024 (AD CGVS, landeninformatie). Hierin wordt inderdaad gesteld dat nationale identiteitskaarten in persoon moeten worden aangevraagd, daar vingerafdrukken genomen worden, er een foto wordt getrokken en de irissen worden gescand. Daarnaast stelt het rapport dat een aanvraag vanuit het buitenland niet mogelijk is (p. 18 en 20).
In dit verband wordt opnieuw vastgesteld dat bij gebrek aan vertaling van het document dat door de commissaris-generaal omschreven wordt als een Iraakse nationale kaart, niet nagegaan kan worden of het effectief een nationale identiteitskaart betreft zoals omschreven in voormeld rapport. De elementen inhet administratief dossier laten niet toe vast te stellen dat verzoekster werkelijk is teruggekeerd naar Irak, zoals geponeerd in de bestreden beslissing.
Voorts bevat het administratief dossier geen beslissing inzake de aanvraag die verzoekster zou hebben ingediend om een Iraaks paspoort te bekomen. Er zijn geen indicaties dat de Iraakse overheid ook effectief zou zijn overgegaan tot de afgifte ervan. In de bestreden beslissing wordt overigens ook louter melding gemaakt van een aanvraag. Er weze aan herinnerd dat ook dit document niet vertaald is terwijl het zicht hebben op de aard van het document onontbeerlijk is om de afweging te kunnen maken of dergelijke stap beschouwd kan worden als een intentie om opnieuw aanspraak te maken op de bescherming van het land van herkomst en of die bescherming daadwerkelijk zou worden geboden.
Verder blijkt uit het administratief dossier dat verzoekster in het kader van haar tweede beschermingsverzoek ingediend op 18 juli 2018, verklaard heeft dat zij voornamelijk haar familie vreest, namelijk dat ze zal worden gedood omwille van het werk dat zij deed als prostitué (AD CGVS, deel DVZ, Verklaring volgend verzoek, 17.08.2018, punt 18). Het is dit volgend verzoek dat geleid heeft tot de beslissing tot toekenning van de vluchtelingenstatus. De redenen waarom verzoekster internationale bescherming werd toegekend wordt niet opgenomen in die beslissing. Gelet op de aard van verzoeksters verklaringen kan niet worden uitgesloten dat het contact dat zij zou gehad hebben met de Iraakse overheidsinstanties niet noodzakelijkerwijs betekent dat de Iraakse autoriteiten in staat of bereid zijn bescherming te bieden.
Ook al kan de commissaris-generaal op eerste zicht bijgetreden worden in de vaststelling dat verzoekster wijzigende en vage verklaringen aflegt omtrent de desbetreffende documenten vervat in het administratief dossier, zijn er in huidige stand van zaken onvoldoende elementen aanwezig die toelaten te besluiten dat verzoekster met haar handelingen de intentie heeft gehad om opnieuw aanspraak te maken op de bescherming van de Iraakse autoriteiten en of die bescherming daadwerkelijk zou worden geboden.
Op basis van de elementen in het rechtsplegingsdossier kan de Raad, met inachtneming van de grenzen van een ondervraging ter terechtzitting en gelet op het ontbreken van verdere onderzoeksbevoegdheid, in deze stand van zaken het verzoek om internationale bescherming niet op nuttige wijze evalueren in het kader van een devolutief beroep. Het ontbreekt aldus aan essentiële elementen om te komen tot de in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 1° van de Vreemdelingenwet bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen.
Gelet op bovenstaande vaststellingen, oordeelt de Raad dat in de huidige stand van zaken niet kan worden besloten dat de voorwaarden voor de toepassing van artikel 55/3 van de Vreemdelingenwet of artikel 1, C, (1) van het Vluchtelingenverdrag vervuld zijn.
Bijgevolg moet de bestreden beslissing worden vernietigd overeenkomstig artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2°, van de Vreemdelingenwet.
Ook door louter te verwijzen naar zijn aankomst in België op jonge leeftijd, zijn school lopen en zijn tewerkstellingen in België toont verzoeker nog niet concreet aan dat verweerder op onzorgvuldige of kennelijk onredelijke wijze tot zijn beoordeling is gekomen dat de integratiebanden tussen verzoeker en België als gevolg van zijn gevangenschap als verbroken kunnen worden beschouwd. Zijn jonge leeftijd bij aankomst in België en vroegere school lopen volstaan op zichzelf niet om aan te tonen dat verzoeker, ondanks zijn gevangenschap, tot het nemen van de bestreden beslissing duidelijke integratiebanden met België heeft behouden. Verzoeker erkent verder dat hij ernstige financiële problemen kende die er mee toe hebben geleid
dat hij overging tot het plegen van strafbare feiten en dat hij zich genoodzaakt zag zijn zelfstandige activiteiten reeds voor zijn gevangenschap stop te zetten, zoals hij ook reeds aanhaalde tijdens het horen. Van een volgehouden economische integratie was dus geen sprake. Bovendien blijkt uit de rest van de bestreden beslissing ook duidelijk dat verweerder wel degelijk rekening heeft gehouden met de door verzoeker aangehaalde elementen en aangetoonde banden met België. Het loutere gegeven dat verzoeker het niet eens lijkt te zijn met de door verweerder gedane beoordeling, houdt nog niet in dat deze beoordeling op onzorgvuldige of kennelijk onredelijke wijze tot stand is gekomen.
Waar verzoeker in zijn middel nog wijst op een arrest van de Raad, volstaat het op te merken dat in de continentale rechtstraditie arresten geen precedentswaarde hebben en dat verzoeker niet aantoont dat de feitelijke omstandigheden die aanleiding gaven tot het door hem geciteerde arrest identiek zijn aan deze in voorliggende zaak.
Verzoeker maakt met zijn kritiek niet aannemelijk dat de bestreden beslissing op de verkeerde rechtsgrond is gestoeld.