Samenvatting
Gelet op wat voorafgaat, kunnen de verzoekende partijen worden gevolgd waar zij betogen dat de verwerende partij is uitgegaan van een verkeerde lezing van voormeld arrest van het HvJ en dat de illegaliteit van de verblijfssituatie van de aanvrager op zich geen valabele reden is voor een weigering van de gezinshereniging of om de aangebrachte bewijzen van de afhankelijkheidsband terzijde te schuiven.
Gelet op de voorgaande bespreking kan de beoordeling in de bestreden beslissingen dat de afhankelijkheidsband tussen de verzoekende partijen en de Belgische referentiepersoon “niet kan blijken omwille van het illegale verblijf van de [verzoekende partijen] in het gastland” niet blijven staan. De huidige verblijfsstatus van de verzoekende partijen staat er niet aan in de weg dat er een afhankelijkheidsband tussen hen en de Belgische stiefvader kan bestaan en dit dient concreet te worden onderzocht aan de hand van de bewijselementen die de verzoekende partijen hebben aangebracht.
Samen met de verzoekende partijen moet bijgevolg worden vastgesteld dat de verwerende partij de voorgelegde stukken niet zonder verder onderzoek aan de kant mocht schuiven, louter omwille van het illegale verblijf van de verzoekende partijen in België. In de bestreden beslissingen wordt weliswaar nog gesteld dat de stukken die de verzoekende partijen bij hun aanvragen hebben voorgelegd niet kunnen overtuigen dat er een afhankelijkheidsrelatie bestaat waarbij de steun van de Belgische referentiepersoon fundamenteel is voor hun levensonderhoud, maar hierbij wordt geen enkele verdere uitleg of motivering gegeven waarom deze stukken niet volstaan om het “ten laste zijn” aan te tonen en aldus blijkt andermaal niet dat de verwerende partij in dit verband een zorgvuldig onderzoek heeft verricht van de voorliggende stukken die ter onderbouwing van de afhankelijkheidsband werden voorgelegd.