Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 338.567 - 22-12-2025

Samenvatting

Uit wat voorafgaat blijkt niet dat de verzoekende partij voor 24 september 2024 – datum waarop de geldigheid van haar inreisvisum reeds verstreken is – de kans kreeg om haar familieband te bewijzen en aldus een bijlage 19ter te ontvangen, niettegenstaande zij reeds op 8 juli 2024 kenbaar heeft gemaakt dat zij een aanvraag gezinshereniging op grond van artikel 47/1 van de Vreemdelingenwet wenste in te dienen. De Raad merkt hierbij op dat de verwerende partij in haar verweernota de stelling van de verzoekende partij dat het niet mogelijk is om op een andere manier een aanvraag te bewerkstelligen dan via de website van de stad Antwerpen, niet betwist. Het niet kunnen bijbrengen van stukken voor 20 augustus 2024 – de vervaldag van de geldigheid van haar inreisvisum – die haar familieband staven teneinde een bijlage 19ter te ontvangen, kan dan ook niet aan de verzoekende partij verweten worden. Evenmin kan haar enige onzorgvuldigheid verweten worden door zelf niet tijdig en diligent op te treden nu zij anderhalve maand voor het verstrijken van haar inreisvisum aan de stad Antwerpen heeft kenbaar gemaakt dat zij een aanvraag gezinshereniging op grond van artikel 47/1 van de Vreemdelingenwet wenste in te dienen. 

In deze omstandigheden waarbij aldus de verzoekende partij kenbaar heeft gemaakt op 8 juli 2024 een aanvraag gezinshereniging te initiëren waarbij geenszins kan uitgesloten worden dat hierbij de verzoekende partij reeds haar paspoort, inreisvisum en binnenkomststempels in het paspoort heeft voorgelegd, en gelet op het feit dat de verzoekende partij naderhand wel degelijk de familieband heeft bewezen nu zij op 7 januari 2025 in het bezit werd gesteld van een bijlage 19ter, komt het in casu onzorgvuldig en kennelijk onredelijk voor om, voor het beoordelen of op het ogenblik van het indienen van de aanvraag een geldig inreisvisum voorlag, 8 juli 2024 niet te beschouwen als datum van de aanvraag. Hierbij kan geheel ten overvloede nog opgemerkt worden dat nergens uit blijkt, minstens kan dit niet in de bestreden beslissing gelezen worden,  dat de verzoekende partij dient te beschikken over een geldig inreisvisum op het ogenblik dat zij de ‘bijlage 19ter’ ontvangt.

Nu de verzoekende partij geen invloed heeft op het feit dat zij niet in de mogelijkheid is om de volledige aanvraag online in te dienen – nu niet blijkt, minstens toont de verwerende partij niet aan, dat zij ook de documenten betreffende de verwantschap (of andere bewijsstukken) kon uploaden – en zij voorts ook geen invloed heeft op de wachtperiode alvorens zij, naar aanleiding van het kenbaar maken van haar intentie, de verblijfsprocedure kan opstarten – waarbij de Raad opnieuw benadrukt dat de verzoekende partij zelf diligent heeft opgetreden en anderhalve maand voor het verstrijken van haar inreisvisum zich tot de bevoegde diensten heeft gericht –, doet het feit dat zij begrijpt “dat de verblijfsprocedure nog niet is opgestart.” en dat zij “via dit formulier een aanvraag (heeft) gedaan om een afspraak te kunnen krijgen en dat (…) dienst met (haar) contact zal opnemen.” geen afbreuk aan voormelde vaststellingen.

De verzoekende partij ontkent inderdaad niet, zoals de verwerende partij voorhoudt in haar nota met opmerkingen, dat zij op ’7 januari 2025’ niet over een geldig inreisvisum beschikt, doch meent zij dat zij de aanvraag niet op voormelde datum doch reeds eerder had ingediend, met name op 8 juli 2024. 

Voorts erkent de verwerende partij in de verweernota dat uit de stukken van het administratief dossier volgt dat de verzoekende partij zich eerst heeft aangemeld om een verblijfsprocedure gezinshereniging op te starten op 8 juli 2024.

Het betoog in de verweernota dat zij binnen de maand op 8 augustus 2024 een afspraak kreeg waarbij zij uitgenodigd werd de nodige akten voor te leggen, dat uit geen enkel stuk blijkt dat het de stad Antwerpen is die deze afspraak heeft geannuleerd, doet aan vaststellingen in onderhavig arrest voorts geen afbreuk. Immers blijkt uit de stukken die de verzoekende partij bij haar verzoekschrift voegt dat zij op 8 augustus 2024 een e-mail ontvangt van het “Loket stad Antwerpen” waarin onder meer staat “Wij nodigen u uit om een verblijfsaanvraag te starten. In bijlage vindt u uw uitnodigingsbrief terug. Breng alle documenten mee (…) Een woonstcontrole is aangevraagd (…).” en dat hierbij een uitnodigingsbrief “Uitnodiging verblijfsaanvraag” van dezelfde datum is gevoegd waarop de datum 24 september 2024 vermeld wordt als datum van  de afspraak. Uit het administratief dossier blijkt nergens dat er reeds op 8 augustus 2024 een afspraak zou doorgaan waarop de verzoekende partij de nodige akten kon voorleggen. 

Gelet op wat voorafgaat kan de verwerende partij voorts ook niet dienstig voorhouden dat de verzoekende partij niet aantoont dat het voor haar onmogelijk was om tijdig haar aanvraag gezinshereniging in te dienen. Immers blijkt nergens uit dat de verzoekende partij, niettegenstaande zij op 8 juli 2024 kenbaar maakt een aanvraag gezinshereniging op grond van artikel 47/1 van de Vreemdelingenwet te willen indienen, in casu demogelijkheid had om documenten aan het bestuur over te maken, teneinde te bewijzen dat zij aan de voorwaarden voldeed om de aanvraag ‘in te dienen’, voor het verstrijken van haar inreisvisum op 20 augustus 2024.

De stelling in de verweernota dat de kritiek van de verzoekende partij gericht is tegen de stad Antwerpen tot slot, doet evenmin afbreuk aan de voormelde vaststellingen. Overigens gaat de verwerende partij eraan voorbij dat de online-aanvraag van 8 juli 2024 zich in het administratief dossier bevindt en aan een e-mail van 7 januari 2025 aan de verwerende partij gevoegd werd, zodat de verwerende partij hiervan kennis had op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing.

De verzoekende partij kan gevolgd worden dat zij wel degelijk over een visum beschikt maar dat het online systeem in Antwerpen niet toelaat om een bijlage 19ter te krijgen op een termijn die minder bedraagt dan de wettelijke termijn om de aanvraag in te dienen, dat de verwerende partij haar de facto verwijt haar aanvraag niet tijdig te hebben ingediend, terwijl zij dit in casu onmogelijk kon doen en dat zij voor de vervaltijd van de geldigheid van haar visum de nodige stappen heeft ondernomen om haar verblijfsaanvraag op te starten.

Een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht wordt aannemelijk gemaakt.