Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 339.622 - 16-01-2026

Samenvatting

Uit het voorgaande blijkt dat verzoekster, in functie van haar Belgische adoptievader, moet aantonen ten laste te zijn van de Belgische adoptievader of zijn echtgenoot. Het ten laste zijn houdt een situatie van reële afhankelijkheid in om in het levensonderhoud te voorzien en dient te bestaan van in het herkomstland en op het ogenblik van de aanvraag.

Zoals blijkt uit het administratief dossier, heeft verzoekster om het ten laste zijn aan te tonen verschillende stukken voorgelegd. Vooreerst heeft zij verschillende overschrijvingsbewijzen voorgelegd, waaruit inderdaad blijkt dat de referentiepersoon vanuit België gelden op zijn Braziliaanse rekening zette. Volgens verzoekster hadden zij en haar grootmoeder een volmacht op die rekening om geld af te halen.

Dienaangaande motiveert de gemachtigde dat het om verzendbewijzen van geldoverschrijding van de referentiepersoon “naar derden” zou gaan, die “logischerwijze” niet in overweging worden genomen. Subsidiair motiveert de gemachtigde dat die overschrijvingen geenszins voldoende zijn, aangezien verzoekster heeft nagelaten bewijzen voor te leggen van haar onvermogen in het herkomstland.

Met verzoekster moet de Raad in deze zaak vaststellen dat al deze overschrijvingen inderdaad niet op correcte wijze kunnen beschouwd worden als louter overschrijvingen naar “derden” waarmee “logischerwijze” geen rekening kan gehouden worden. Het betreft immers inderdaad overschrijvingen (van grote bedragen) van de referentiepersoon naar een eigen Braziliaanse rekening, of van de echtgenoot van de referentiepersoon (blijkens het adoptievonnis en de Belgische akte van adoptie eveneens adoptievader) naar de Braziliaanse rekening van de referentiepersoon. De referentiepersoon kan niet als “een derde” worden beschouwd. De enige “derde” die op enkele overschrijvingsbewijzen ook werd vermeld, betreft mevrouw A.M.F.B., waarvan verzoekster verklaart dat dit haar grootmoeder is waarbij ze heeft verbleven en die ook voorkomt op de stamboom, die zich in het administratief dossier bevindt. Deze overschrijvingen, waarop de naam van die vrouw ook bij de begunstigden staat vermeld, betreffen bovendien overschrijvingen van 2013, een ogenblik waarop verzoekster zelf nog minderjarig was.

De Raad volgt verzoekster bijgevolg dat de gemachtigde niet op zorgvuldige wijze kon vaststellen dat enkel geldoverschrijvingen naar “derden” werden voorgelegd, die “logischerwijze” in dit dossier niet in overweging kunnen worden genomen. Verzoekster kan dan ook gevolgd worden dat de geldoverschrijvingen niet aan een zorgvuldig onderzoek zijn onderworpen, terwijl deze relevant zijn in het kader van een onderzoek naar het ten laste zijn. Bijgevolg kon de gemachtigde zich ook niet van dit afzonderlijk onderzoek kwijten, door subsidiair te motiveren dat er geen bewijs van onvermogen in het herkomstland zou voorliggen.

Een schending van de zorgvuldigheidsplicht wordt in de aangegeven mate aangenomen.

In de nota met opmerkingen kan verweerder in theorie gevolgd worden waar hij stelt dat “ten laste zijn” inhoudt dat de aanvrager ten laste was van de referentiepersoon in het land van herkomst vooraleer hij naar België kwam. Bijgevolg dient verzoekster, om als ‘ten laste’ te kunnen worden beschouwd, aan te tonen dat reeds eerder en dus voorafgaand aan de aanvraag, in het land van herkomst – zijnde een ander land dan het gastland – een feitelijke situatie bestond van reële afhankelijkheid, materieel en/of financieel, ten aanzien van de referentiepersoon. De noodzaak van financiële of materiële ondersteuning kan worden aangetoond met ieder passend middel. Wat betreft de voorwaarde inzake het ‘ten laste zijn’ van de referentiepersoon zoals bedoeld in artikel 40ter van de Vreemdelingenwet, is er geen wettelijke bewijsregeling voorhanden en het bewijs van het vervuld zijn van de voorwaarden is aldus vrij. Deze vrije feitenvinding en -appreciatie impliceert dat de bevoegde administratieve overheid discretionair oordeelt of verzoekster het bewijs van de voorwaarden levert.

Het feit dat de noodzaak aan materiële of financiële ondersteuning kan worden aangetoond met ieder passend middel, betekent inderdaad niet dat om het even welk stuk of om het even welke feitelijke situatie ook als een afdoend bewijsmiddel moet worden beschouwd in deze feitenappreciatie. Hierop oefent de Raad een marginale wettigheidstoetsing uit. De bewijslast inzake de voorwaarde van ‘ten laste zijn’ rust bij de verblijfsaanvrager. Het is aan verzoekster om haar aanvraag met de nodige stukken te onderbouwen.

Wat betreft de geldoverschrijvingen stelt verweerder in de nota dat verzoekster slechts verwijst naar de stortingen, die niet aan haar gebeurden maar op de eigen rekening van de referentiepersoon, doch hiermee toont ze volgens verweerder niet aan dat zij in die mate materieel en/of financieel werd ondersteund door de referentiepersoon dat zij met deze steun kan voorzien in haar basisbehoeften. Verzoekster zou verder ook de motivering negeren dat er geen bewijs voorligt van haar onvermogen in het land van herkomst. Zonder een inzicht in het vermogen van verzoekster zou niet geïnterpreteerd kunnen worden of die bedragen fundamenteel, dan wel aanvullend waren om in haar levensonderhoud te voorzien.

Met dit betoog gaat verweerder in de nota met opmerkingen niet in op de foutieve motivering in de beslissing dat de geldoverschrijvingen volgens de gemachtigde naar “derden” werden gedaan, zodat logischerwijze ze niet in overweging kunnen worden genomen. Zoals blijkt uit het administratief dossier, waren die overschrijvingen allemaal naar de Braziliaanse rekening van de referentiepersoon zelf en was bij enkele overschrijvingen in 2013 ook de naam vermeld van A.M.F.B., waarvan verzoekster verklaart dat dit haar grootmoeder is waarbij ze heeft verbleven. Het is veeleer onredelijk of onlogisch van verweerder in de nota met opmerkingen om te verwachten dat alle overschrijvingen, rekening houdend met de specifieke context in deze zaak van de buitenlandse adoptie, op naam van de (destijds minderjarige) verzoekster hadden moeten zijn. Wat betreft het bijkomend argument van het aantonen van het onvermogen herhaalt de Raad dat de geldoverschrijvingen niet aan een zorgvuldig onderzoek zijn onderworpen, terwijl deze op zich hun eigen relevantie hebben in het kader van een onderzoek naar het ten laste zijn en de gemachtigde zich dan ook niet van dit afzonderlijk onderzoek kan kwijten, door subsidiair te motiveren dat er geen bewijs van onvermogen in het herkomstland zou voorliggen. Waar verweerder in de nota nog a posteriori motiveert dat moet nagegaan worden of de bedragen fundamenteel dan wel aanvullend waren en het moet gaan om sommen die noodzakelijk zijn om in de basisbehoeften te voldoen, kan de Raad in theorie volgen, maar deze motieven niet lezen in de bestreden beslissing en blijkt ten overvloede uit het administratief dossier dat het om grote geldstortingen ging, en heeft het Braziliaans vonnis ook uitspraak gedaan over de noodzaak van die financiële steun (zie infra).

Dit betoog doet dan ook geen afbreuk aan de onzorgvuldige en foutieve motivering van de gemachtigde dat de geldoverschrijvingen naar derden zouden zijn gedaan en daarom logischerwijze niet in overweging worden genomen.

Het eerste onderdeel van het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond en geeft reeds aanleiding tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing.

Verder heeft verzoekster in het tweede onderdeel van het eerste middel een punt dat blijkt dat het Braziliaans adoptievonnis in België is erkend.

Uit artikel 72 van het WIPR blijkt dat een buitenlandse rechterlijke beslissing tot totstandkoming van een adoptie enkel wordt erkend als de bepalingen van de artikelen 365-1 tot 366-3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) in acht werden genomen en er een akte van adoptie wordt opgemaakt overeenkomstig artikel 367-2 van het BW. Uit deze laatste bepaling blijkt dat het de ‘Federale Centrale Autoriteit’ is, die oordeelt of is voldaan aan de voorwaarden voor de erkenning van een buitenlands adoptievonnis. Daarbij heeft deze Federale Centrale Autoriteit onder meer nagegaan of de adoptiebeslissing door de bevoegde autoriteiten in het buitenland genomen is en in overeenstemming is met de aldaar geldende vormvereisten en procedures, of de rechterlijke beslissing kracht van gewijsde heeft, of de buitenlandse adoptiebeslissing kennelijk in strijd is met de openbare orde, rekening houdend met het belang van het kind, of de vereisten inzake  de overbrenging  van  het kind  zijn  nageleefd en  of  de Belgische  nationaliteits-  of vreemdelingenwetgeving niet werd omzeild. Uit artikel 367-2, derde lid van het BW blijkt dat de akte van adoptie als bewijs geldt van de erkenning van de buitenlandse beslissing door de Federale Centrale Autoriteit. In fine van artikel 367-2 van het BW wordt ook bepaald dat de beslissing waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden voor de erkenning in België van het buitenlands adoptievonnis op eenvoudig vertoon van een afschrift van de akte van adoptie door iedere (administratieve) overheid of rechtsmacht moet worden erkend.

In casu bevat het administratief dossier (een uittreksel van) de (Belgische) “akte van adoptie”, die is opgemaakt op 10 januari 2024 te B. Het betreft de volle adoptie van verzoekster door de referentiepersoon en zijn echtgenoot, met uitwerking vanaf 5 juli 2023. Op basis van dit afschrift van de adoptieakte, en de samenlezing van artikel 72 van het WIPR en  artikel 367-2 van het BW, moeten  de  Dienst Vreemdelingenzaken en de Raad aldus het Braziliaans vonnis erkennen (zie ook Kruger T., Verhellen J.-Internationaal privaatrecht : de essentie, die Keure, 2015, 168).

In casu kan verzoekster gevolgd worden dat uit de eensluidend verklaarde beëdigde vertaling van het Braziliaans vonnis blijkt dat de Braziliaanse familierechter, na uitvoerig onderzoek van voorgelegde documentatie door de Belgische referentiepersoon en zijn Belgische man, het horen van verzoekster, van “ID (….)”, van de biologische ouders van verzoekster en getuigen heeft beslist dat “de feiten aanvankelijk werden bevestigd, vooral met betrekking tot sociaal-affectieve aansluiting. De biologische ouders werden gehoord en bevestigden alles wat eerder vermeld was.” Eerder wordt in het vonnis vermeld dat: “haar [van verzoekster] ouders hebben voor haar nooit gezorgd of gesteund. Verzoekers [referentiepersoon en zijn man] hebben echter altijd aangetoond dat zij sinds haar geboorte en zeer sterke emotionele band met de Geadopteerde hadden en dat er altijd belangstelling voor adoptie was, wat voorheen niet was gebeurd omdat de Geadopteerde onder de hoede van haar grootmoeder van vaderskant leefde en dat zij de Geadopteerdealleen kon opvoeden dankzij financiële steun van de verzoekers. Daarin staat dat de Geadopteerde alleen is gebleven na het overlijden van haar grootmoeder. De verzoekers begrijpen dat het een goed moment is om de adoptie af te ronden.” 

Zoals verzoekster aanvoert, blijkt uit dit in België erkend Braziliaans vonnis dat de financiële afhankelijkheid van verzoekster van de referentiepersoon (en zijn echtgenoot) uitdrukkelijk wordt vermeld in het vonnis. Er staat immers uitdrukkelijk dat de grootmoeder langs vaderskant, waarbij verzoekster leefde, haar enkel kon opvoeden dankzij financiële steun van de verzoekers, zijnde in dat vonnis de referentiepersoon en zijn echtgenoot. Hieruit blijkt wel degelijk dat de Braziliaanse rechter heeft vastgesteld dat de financiële ondersteuning aan de grootmoeder door de referentiepersoon noodzakelijke financiële steun voor verzoekster was. Hieruit blijkt eveneens dat, nu de grootmoeder verzoekster enkel kon opvoeden dankzij de financiële steun van de referentiepersoon en diens echtgenoot, verzoekster zelf afdoende onvermogend was om aangewezen te zijn op die steun. Anders kon de Braziliaanse rechter niet vaststellen dat de grootmoeder verzoekster “alleen kon opvoeden dankzij” die financiële steun. Nu dit adoptievonnis is erkend in de Belgische rechtsorde, kan de gemachtigde geen standpunt innemen dat strijdt met de inhoud van dit vonnis.

Waar de gemachtigde in de beslissing stelt dat in het vonnis geen enkel objectief bewijsstuk wordt vermeld waaruit blijkt welke vorm de financiële steun heeft aangenomen, noch met welke regelmaat of omvang die werd verstrekt, blijkt uit het vonnis enerzijds dat de rechter zich wel degelijk heeft gesteund op “documentatie IK (…) en (…)”. De gemachtigde heeft anderzijds zelf ook nagelaten, zoals supra is vastgesteld en terecht door verzoekster aangestipt, om de voorgelegde overschrijvingen zorgvuldig te onderzoeken qua omvang van de bedragen en regelmaat. Het kwam de gemachtigde toe zorgvuldig rekening te houden, zowel met de voorgelegde geldoverschrijvingen, als met de inhoud van het adoptievonnis, en deze in hun onderlinge samenhang en in het licht van de specifieke context van dit dossier op redelijke wijze te beoordelen.

Dit is in casu niet gebeurd, waardoor een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel in het licht van de relevante regelgeving ook wat betreft het adoptievonnis wordt aangenomen.

In de nota met opmerkingen stelt verweerder dat uit geen enkel objectief verifieerbaar stuk kan blijken waarvoor de gelden die de referentiepersoon op zijn eigen rekening stortte werden aangewend door de grootmoeder van/en/of verzoekster. Indien die gelden voor verzoekster bestemd waren, mag ervan uitgegaan worden dat dit op enigerlei wijze concreet aantoonbaar moet zijn, zoals in de vorm van een mededeling. Volgens verweerder zou niets dergelijk voorliggen. De Raad moet evenwel vaststellen dat wel degelijk iets dergelijk voorligt, nu juist op verschillende geldoverschrijvingen blijkt dat niet enkel de naam van de referentiepersoon wordt vermeld als begunstigde, maar ook de naam van Mw. A.M.F.B., waarvan verzoekster verklaart dat dit haar grootmoeder is. De Raad leest ook de vermelding “family support” op een dergelijke geldoverschrijving.

Waar verweerder suggereert dat uit het relaas van de referentiepersoon blijkt dat hij nog belangen had in Brazilië, zoals een eigendom, waardoor hij evengoed gelden op zijn eigen rekening overmaakte ter behartiging van zijn belangen in Brazilië, blijkt dat in het verzoekschrift inderdaad wordt gesteld dat de referentiepersoon een grond had in Brazilië, doch dat hij die in 2014 zou verkocht hebben om de opbrengst te gebruiken ter ondersteuning van verzoekster. Dit laatste is niet verifieerbaar, maar er blijkt wel uit de door verzoekster voorgelegde objectieve stukken dat gelden werden overgemaakt met de naam A.M.F.B. als begunstigde  en dat  de  Braziliaanse rechter  heeft  vastgesteld dat  de  financiële steun  van  de referentiepersoon en zijn echtgenoot noodzakelijk waren voor de opvoeding van verzoekster door haar grootmoeder.

Verder volgt de Raad verweerder in de nota niet waar hij stelt dat niet blijkt dat de inhoud van het vonnis is gebaseerd op objectieve stukken. Zoals hoger aangehaald, verwijst het vonnis immers niet enkel naar het horen van de betrokken partijen, de biologische ouders, getuigen en het horen van “ID (…)”, maar ook naar documentatie dat door de referentiepersoon en zijn echtgenoot werden voorgelegd. Waar verweerder vervolgens stelt dat de gemachtigde niet ontkent dat verzoekster geadopteerd zou zijn, maar enkel vaststelt dat niet is aangetoond dat verzoekster onvermogend was in het herkomstland, noch dat zij ten laste was om in haar basisbehoeften te kunnen voorzien, waardoor niet voldaan is aan de vereiste voorwaarden van artikel 40bis van de Vreemdelingenwet, stelt de Raad vast dat de gemachtigde de adoptie op zich inderdaad niet ontkent. De Raad moet evenwel verzoekster volgen waar zij stelt dat de gemachtigde voorbijgaat aan het feit dat de Braziliaanse rechter meer heeft vastgesteld dan enkel de adoptie. Hij heeft ook aangenomen dat de grootmoeder verzoekster “alleen” kon opvoeden dankzij de financiële steun van de referentiepersoon (en de echtgenoot), hetgeen neerkomt op het aannemen dat deze financiële steun van de referentiepersoon noodzakelijk was voor verzoekster in het herkomstland om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Waar verweerder in de nota nog ten overvloede stelt dat de biologische ouders betrokken waren bij het adoptieproces in 2023, zonder inzicht te verschaffen in het vermogen van de biologische ouders, blijkt inderdaad uit het adoptievonnis dat de biologische ouders werden gehoord en er geen uitdrukkelijke cijfers worden vermeld aangaande hun vermogen, maar tevens dat de Braziliaanse rechter heeft vastgesteld dat “haar ouders (…) voor haar nooit (hebben) gezorgd of gesteund” en dat “de biologische ouders (…) (alles) bevestigden (…) wat eerder vermeld was.”

Het betoog van verweerder doet geen afbreuk aan het voorgaande.

Het tweede onderdeel van het eerste middel is eveneens in de aangegeven mate gegrond.