Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 339.683 - 19-01-2026

Samenvatting

De Raad stelt bijgevolg vast dat niet zozeer rekening moet worden gehouden met de strafmaat van de in het buitenland opgelegde straf, maar dat het belangrijker is welke straf er volgens het Belgische strafrecht op het gepleegde feit is gesteld. Hierbij dient zo nodig (wanneer ook de Belgische strafwetgeving bijzonder strenge straffen voorziet) tevens rekening te worden gehouden met de vraag of de “meeste gerechtelijke instanties” het gepleegde feit eveneens aanmerken als een ernstig misdrijf. Punt 155 van het Handboek inzake procedures en criteria die dienen te worden toegepast om de status van vluchteling te bepalen (zie supra: Parl. St. Kamer, 2001-2002, nr. 2044/001, p. 25-26), geeft in dit opzicht met name het volgende mee: “Il est difficile de définir ce qui constitue un crime «grave» de droit commun aux fins de la clause d'exclusion à l'examen, d'autant que le mot «crime» revêt des acceptions différentes selon les systèmes juridiques. Dans certains pays, le mot «crime» ne vise que les délits d'un caractère grave; dans d'autres pays, il peut désigner toute une catégorie d'infractions allant du simple larcin jusqu'au meurtre. Dans le présent contexte, cependant, un crime «grave» doit être un meurtre ou une autre infraction que la loi punit d'une peine très grave. Des infractions mineures pour lesquelles sont prévues des peines modérées ne sont pas des causes d'exclusion en vertu de la section F b) de l'article premier, même si elles sont techniquement qualifiées de «crimes» dans le droit pénal du pays considéré.”. Dit kan vertaald worden als volgt: “Het is moeilijk een definitie te geven van wat in het licht van de voorliggende uitsluitingsclausule een “ernstig’, niet-politiek misdrijf vormt, te meer daar het woord “misdrijf’ verschillende betekenissen heeft naargelang van het rechtstelsel. In sommige staten slaat het woord “misdrijf’ alleen op zware strafbare feiten; in andere staten wordt daarmee verwezen naar een hele categorie strafbare feiten, gaande van een gewone kruimeldiefstal tot doodslag. In de huidige context wordt onder een “ernstig misdrijf’ evenwel alleen verstaan doodslag of een ander feit waarop krachtens de wet een zeer zware straf staat. Lichtere strafbare feiten waarop geen zware straffen staan, zijn geen uitsluitingsclausules krachtens afdeling F b) van artikel 1, zelfs indien ze in het strafrecht van de staat in kwestie als “misdrijf’ worden bestempeld.” (vrije vertaling zoals aangehaald in het advies van de Raad van State, nr. 57.124/4 van 16 maart 2015, bij de wet tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen om beter rekening te houden met de bedreigingen voor de samenleving en de nationale veiligheid in de aanvragen tot internationale bescherming, Parl.St. Kamer, 2014-2015, nr. 54-1197/001, p. 53-54). Het is dan ook tevens van belang of de Belgische wetgever op door de verzoeker gepleegde feiten eveneens een zeer zware straf heeft gesteld.

Het begrip ‘ernstig niet-politiek misdrijf’ heeft een autonoom karakter: het Hof van Justitie heeft hierbij verder aangegeven dat: “Wat de gebruikelijke betekenis van de gehanteerde termen betreft, moet worden opgemerkt dat het begrip „misdrijf” weliswaar slaat op feitelijke omstandigheden uit het verleden, namelijk het moment  waarop dit  misdrijf  werd gepleegd,  maar  dat het  begrip  „ernstig” daarentegen  een beoordelingselement toevoegt dat in de loop van de tijd kan evolueren. Het is dus niet uitgesloten dat de ernst van een misdrijf anders wordt beoordeeld op het moment dat het verzoek om internationale bescherming wordt onderzocht dan op het moment dat het misdrijf werd gepleegd.” (HvJ 30 april 2025, nr. C-63/24, K. L. tegen Migracijos departamentas prie Lietuvos Respublikos vidaus reikalų ministerijos, pt. 31).

In voormeld arrest verwijst het Hof van Justitie, net zoals de verzoeker in het betoog ter ondersteuning van zijn enig middel en de Belgische wetgever in de hoger geciteerde toelichtingen, naar de relevantie van het “Handboek over procedures en criteria voor het bepalen van de vluchtelingenstatus en richtsnoeren inzake internationale bescherming uit hoofde van het Verdrag van 1951 en het Protocol van 1967 betreffende de status van vluchtelingen”. In punt 157 van dit Handboek wordt met betrekking tot artikel 1, afdeling F, onder b), van het Verdrag van Genève - waarvan de bewoordingen overeenkomen met die van artikel 28, lid 1, onder a), ii, van de Richtlijn 2001/55/EG die op hun beurt gelijkaardig zijn aan de bewoordingen van artikel 12, lid 2, onder b), van de Richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als persoon die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en voor de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Kwalificatierichtlijn) - aangegeven dat “[h]et feit dat een persoon die veroordeeld is voor een ernstig, niet-politiek misdrijf, zijn straf reeds heeft uitgezeten of gratie of amnestie heeft verkregen, [...] eveneens in aanmerking [moet] worden genomen”.

Het Hof van Justitie vervolgt dat het, rekening houdend met de omstandigheid dat een persoon zijn straf reeds heeft uitgezeten, niet strijdig is met de doelstellingen van artikel 12 lid 2, b), van de Kwalificatierichtlijn, omdat (i) de uitsluiting van de vluchtelingenstatus van een persoon die de hem wegens het betrokken misdrijf opgelegde straf reeds heeft uitgezeten, niet kan worden gerechtvaardigd door het doel te willen voorkomen dat hij aan zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid voor dat misdrijf kan ontsnappen en (ii) het feit dat iemand op een bepaald moment in zijn leven ernstige feiten pleegt, er niet noodzakelijkerwijs toe mag leiden dat die persoon voor altijd onwaardig wordt bevonden voor internationale bescherming, zonder dat met name rekening wordt gehouden met zijn eventuele rehabilitatie (HvJ C-63/24, pt. 38). Het feit dat de betrokkene zijn straf heeft uitgezeten, vormt aldus één van de elementen waarmee de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat noodzakelijkerwijs rekening moet houden bij het onderzoek van alle omstandigheden van het individuele geval (HvJ C-63/24, pt. 43).

Uit dit alles volgt dat het feit dat de persoon die om internationale c.q. tijdelijke bescherming verzoekt zijn straf heeft uitgezeten, een element vormt waarmee de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat noodzakelijkerwijs rekening moet houden bij het onderzoek van alle omstandigheden van het individuele geval.

Het Hof van Justitie heeft evenwel benadrukt dat het gegeven dat de betrokkene zijn straf heeft uitgezeten op zich niet belet dat hij wordt uitgesloten:

“Niettemin zij erop gewezen dat (…) deze omstandigheid op zich geenszins in de weg staat aan de toepassing van artikel 12, lid 2, onder b), van richtlijn 2011/95.

Het feit dat de persoon die om internationale bescherming verzoekt zijn straf heeft uitgezeten, is immers slechts een van de omstandigheden waarmee rekening moet worden gehouden om te bepalen of hij moet worden geacht onder de in die bepaling opgenomen uitsluitingsgrond te vallen. Om de ernst van het misdrijf in kwestie te beoordelen zal de bevoegde autoriteit onder meer de aard van de betrokken daad moeten onderzoeken, de op het misdrijf gestelde straf en de opgelegde straf, de tijd die is verstreken sinds het strafbare feit, het gedrag van de betrokkene gedurende die periode en het berouw dat hij in voorkomend geval heeft getoond.”

Het komt de verweerder aldus eveneens toe om rekening te houden met de op het misdrijf gestelde straf en de opgelegde straf. De verzoeker kan bijgevolg worden bijgetreden waar hij stelt dat tevens in overweging moet worden genomen dat hij, voor het gepleegde misdrijf, de hierop naar Oekraïens recht gestelde minimumstraf heeft gekregen.

(…)

Noch uit de in het administratief dossier aanwezige afschriften van deze verklaring op eer van 2 september 2025, noch uit de andere stukken van het administratief dossier blijkt dat de verweerder de verzoeker voorafgaand aan het treffen van de bestreden beslissing op de hoogte heeft gesteld van het feit dat hij mogelijks kon worden uitgesloten van de tijdelijke bescherming omwille van het plegen van een ernstig niet-politiek misdrijf in Oekraïne. Zo stuurde de verzoeker op 1 september 2025 een e-mailbericht naar de diensten van de verweerder, waarbij hij vroeg naar de stand van zaken in zijn dossier gelet op het feit dat zijn vriendin inmiddels wel al een verblijfstitel had gekregen. Hierop werd enkel vaagweg geantwoord als volgt: “Bedankt voor uw mail. Naar aanleiding van de voorgelegde documenten, moesten er een aantal bijkomende verificaties gebeuren alvorens een beslissing kon worden genomen. Onze excuses hiervoor. De analyse van uw dossier wordt binnenkort geconcludeerd waarna een beslissing zal worden genomen. De beslissing zal dan worden opgestuurd naar het door u opgegeven adres.”

Daar waar de verzoeker in zijn verklaringen meermaals heeft gewezen op het feit dat hij zijn straf volledig heeft uitgezeten en dat hij vroeger vrij kwam door goed gedrag, blijkt dit door de verweerder echter niet in rekening te zijn genomen bij de beoordeling van de ernst van het niet-politieke misdrijf zoals bedoeld in artikel 57/32, §1, eerste lid, 2°, van de Vreemdelingenwet. Dit volstaat op zich reeds om een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aan te nemen.

Daarnaast blijkt uit de vage verwijzing naar “de strafmaat” bij de beoordeling van de ernst van de gepleegde feiten nog niet dat de verweerder heeft nagegaan of deze feiten ook naar het Belgische strafrecht of volgens de “meeste gerechtelijke instanties” worden aangemerkt als een ernstig misdrijf. In dit kader brengt de verzoeker ook op pertinente wijze de toepasselijke Oekraïense strafwetgeving bij (inventaris verzoekschrift, stuk 3) waaruit blijkt dat in Oekraïne zware straffen worden gesteld op illegale drugshandel en de daaraan gerelateerde misdrijven, waarbij een gevangenisstraf van vier jaar inderdaad het absolute minimum is. Door de verweerder wordt echter geen enkele aandacht besteed aan de vergelijking van de straffen gesteld op de door de verzoeker gepleegde feiten naar Oekraïens recht met de straffen die op dezelfde feiten zijn gesteld in België en evenmin wordt nagegaan of de meeste gerechtelijke instanties de concreet door de verzoeker gepleegde feiten tevens als een ernstig misdrijf zouden aanmerken.

Gelet op de bovenstaande vaststellingen stelt de Raad dan ook vast dat de verweerder nagelaten heeft om op zorgvuldige wijze te onderzoeken of de verzoeker in Oekraïne een “ernstig niet-politiek” misdrijf heeft gepleegd hetwelk verantwoordt dat hij met toepassing van artikel 57/32, §1, eerste lid, 2°, van de Vreemdelingenwet wordt uitgesloten van de tijdelijke bescherming voor Oekraïense ontheemden.

Een schending van de zorgvuldigheidsplicht is aangetoond.