Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 339.832 - 20-01-2026

Samenvatting

Inzake artikel 8 van het EVRM beriep verzoeker zich in zijn aanvraag op een privéleven dat hij sinds april 2019 heeft opgebouwd in België, waarbij hij stelde zich perfect te hebben geïntegreerd, zijn middelbare school in België te hebben afgerond en het centrum van zijn belangen hier te hebben gevestigd. Hij voegde verschillende getuigenverklaringen om dit te staven.

Wat de concreet aangevoerde elementen van een privéleven onder artikel 8 van het EVRM betreft, wees verweerder er in de bestreden beslissing op dat de rechtspraak van het EHRM wat betreft een tijdens een precair verblijf opgebouwd privéleven zeer strikt is en dat in de relaties tussen volwassenen sprake moet zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder ging vervolgens in op de verklaring van de burgemeester van Leuven en de verklaringen van leerkrachten, een coach en een pedagogisch directeur die verzoeker had voorgelegd ter staving van zijn sociale banden en privéleven. Hij merkte op dat het verklaringen zijn die zijn opgesteld door personen die enkel in hun professionele hoedanigheid banden hebben met verzoeker en hiermee geen bewijs voorligt van opgebouwde persoonlijke vriendschapsbanden. Volgens verweerder toont verzoeker hiermee niet aan dat hij bepaalde (sociale) banden heeft opgebouwd met de Belgische gemeenschap waarin hij verblijft die dermate intens zijn dat zij deel uitmaken van zijn sociale identiteit, zodat een beschermenswaardig privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM niet blijkt. Om deze reden blijkt volgens verweerder evenmin dat verzoekers netwerk van sociale banden met België van die orde is dat een tijdelijke terugkeer een schending van artikel 8 van het EVRM zou uitmaken.

De Raad merkt allereerst, samen met verzoeker, op dat nergens uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat vooraleer kan worden gesproken van een beschermingswaardig privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM er sprake zou moeten zijn van enige vorm van afhankelijkheid. Bijkomende elementen van afhankelijkheid worden in de rechtspraak van het EHRM enkel vereist opdat de relatie tussen ouders en meerderjarige kinderen, of tussen andere meerderjarige verwanten, nog als gezins- of familieleven onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM kan vallen (EHRM 15 juli 2003, Mokrani/Frankrijk, § 33; EHRM 2 juni 2015, K.M./Zwitserland, § 59). Verweerder kan evenwel de voorwaarde van afhankelijkheid niet toepassen bij de beoordeling van het beschermingswaardig karakter van het privéleven en heeft aldus niet in lijn met de rechtspraak van het EHRM het privéleven beoordeeld.

Ondanks de discussie over zijn werkelijke leeftijd is het verder op zich niet betwist dat verzoeker jarenlang school heeft gelopen in België en hij hier met succes zijn diploma secundair onderwijs heeft behaald. Rekening houdend met dit gegeven, kan de Raad verzoeker volgen in zijn standpunt dat het op basis van de voorgelegde stukken onzorgvuldig en kennelijk onredelijk is om te stellen dat de voorgelegde verklaringen niet kunnen getuigen van opgebouwde persoonlijke vriendschapsbanden in België of van banden met de Belgische gemeenschap waarin hij verblijft die deel uitmaken van zijn sociale identiteit en die als privéleven onder de bescherming kunnen vallen van artikel 8 van het EVRM. Aldus blijkt evenmin dat verweerders standpunt dat een tijdelijke terugkeer geen schending van artikel 8 van het EVRM vormt, steunt op een zorgvuldige en correcte feitenvinding. Het gegeven dat de voorgelegde verklaringen afkomstig zijn van personen die vanuit hun professionele achtergrond getuigen over verzoeker betekent nog niet dat hiermee niet ook het bewijs kan worden geleverd van persoonlijke vriendschapsbanden. Een van de leerkrachten getuigt zo bv. dat verzoeker “goed omringd is door vrienden en medebewoners in Leuven”. De burgemeester van Leuven getuigt van “aanzienlijke stappen om zich te integreren en een waardevol lid van onze samenleving te worden” en stelt dat verzoeker “een voorbeeld is van succesvolle integratie en een waardevolle aanvulling is op onze samenleving”. De professionele achtergrond van deze personen geeft hun verklaringen op dit punt enkel maar meer gewicht en objectiviteit.

Gelet op de voorgaande bespreking kan verzoeker worden bijgetreden waar hij stelt dat in het kader van de bestreden beslissing geen sprake is van een zorgvuldige en kennelijk redelijke beoordeling in het licht van artikel 8 van het EVRM. Het verweer in de nota met opmerkingen vermag geen afbreuk te doen aan deze vaststelling. Verweerder gaat er hierbij ook onterecht van uit dat slechts verklaringen van “vrienden en kennissen” voorliggen.

Een schending van artikel 8 van het EVRM moet bijgevolg worden aangenomen.