Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 341.451 - 19-02-2026

Samenvatting

De Raad benadrukt dat lidstaten ertoe zijn gehouden hun nationale recht conform het Unierecht uit te leggen.

In het arrest van 17 december 2020 (C-710/19) heeft het Hof van Justitie aangegeven dat: “het gastland gehouden is werkzoekenden een redelijke termijn toe te kennen die hen in staat stelt om op het grondgebied van die lidstaat kennis te nemen van de vacatures die bij hun beroepskwalificaties passen, en om in het voorkomend geval het nodige te doen om te worden aangesteld” (punt 27).

Inzake deze toe te kennen redelijke termijn stelt het Hof van Justitie dat in de eerste drie maanden aan de burger van de Unie geen andere voorwaarde kan worden gesteld dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldig identiteitsbewijs (punt 36), dat: “een dergelijke termijn het nuttig effect van artikel 45 VWEU moet kunnen waarborgen” (punt 39) en dat: “een termijn van zes maanden vanaf de datum van inschrijving [als werkzoekende] in beginsel niet ontoereikend lijkt en geen afbreuk doet aan het nuttig effect van artikel 45 VWEU” (punt 42).

Gedurende deze termijn kan het gastland eisen dat de werkzoekende bewijst dat hij werk zoekt. Pas na het verstrijken van die termijn kan deze lidstaat eisen dat de werkzoekende niet alleen bewijst dat hij nog steeds werk zoekt, maar ook dat hij een reële kans maakt te worden aangesteld (punten 43-46).

De Raad van State gaat in zijn arrest van 10 september 2021 met nr. 251.458 verder in op het genoemde arrest van het Hof van Justitie. De Raad van State stelt dat uit dit arrest dient te worden afgeleid dat de redelijke termijn die werkzoekenden dient te worden gegeven, dit om kennis te kunnen nemen van de vacatures die bij hun beroepskwalificaties passen en om in het voorkomend geval het nodige te doen om te worden aangesteld, niet minder mag zijn dan zes maanden. Door een beslissing tot weigering tot verblijf van meer dan drie maanden te nemen op grond van de vaststelling dat er geen reële kans op werk blijkt, zonder deze redelijke termijn van zes maanden te respecteren, wordt volgens de Raad van State artikel 45 van het VWEU miskend.

Het bepaalde in artikel 50, § 2, 3° van het Vreemdelingenbesluit dat de burger van de Unie bij de aanvraag of ten laatste binnen de drie maanden na de aanvraag het bewijs van de reële kans om te worden aangesteld dient voor te leggen, is onmogelijk in overeenstemming te brengen met artikel 14, vierde lid, b) van de richtlijn 2004/38/EG en belemmert het nuttig effect van artikel 45 van het VWEU. Wegens strijdig met de bepalingen van het recht van de EU kan de Raad niet anders dan artikel 50, § 2, 3° van het Vreemdelingbesluit buiten toepassing te laten. Deze verplichting volgt uit de voorrang van het Unierecht (zie onder meer HvJ 9 maart 1978, C-106/77, Simmenthal; HvJ 11 januari 2007, C- 208/05, ITC; HvJ 22 juni 2010, C-188/10, Melki; HvJ 5 oktober 2010, C-173/09, Elchinov; en HvJ 17 november 2011, C-434/10).

In de huidige situatie diende verzoekende partij een verzoek om verklaring van inschrijving in op 14 februari 2025. Er werd haar gevraagd om binnen de drie maanden, dus ten laatste op 14 mei 2025, de volgende documenten voor te leggen: bewijs van uitschrijving, origineel identiteitsbewijs, bewijs van inschrijving bij de VDAB of sollicitatiebewijzen, bewijs werkelijke kans op tewerkstelling binnen een redelijke termijn. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoekende partij was ingeschreven bij de VDAB.

De bestreden beslissing werd genomen op 7 augustus 2025, binnen de periode van zes maanden na het indienen van de aanvraag en zelfs binnen de periode van zes maanden na de inschrijving bij de VDAB. Verzoekende partij werd het recht op verblijf van meer dan drie maanden geweigerd omdat zij niet aannemelijk kon maken dat hij een reële kans heeft op tewerkstelling. Verzoekende partij kan worden bijgetreden in haar standpunt dat verwerende partij een voorbarige beslissing heeft genomen aangaande haar reële kans op tewerkstelling, nu er pas bewijzen hiervan hadden mogen worden gevraagd na de redelijke termijn van zes maanden. Verzoekende partij diende namelijk een redelijke termijn te krijgen om kennis te nemen van de vacatures die bij haar persoonlijke kwalificaties passen en het nodige te doen om te worden aangesteld.