Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 341.839 - 25-02-2026

Samenvatting

Zoals reeds werd aangegeven, moet worden aangenomen dat de verwijzing in artikel 52, § 2 van het vreemdelingenbesluit naar “het bewijs van zijn identiteit overeenkomstig artikel 41, tweede lid, van de wet” slaat op de gehele § 2, van het huidige artikel 41 van de vreemdelingenwet.

Het moet dus in beginsel gaan om een geldig paspoort dat, in voorkomend geval, is voorzien van een geldig inreisvisum, maar bij ontbreken van deze documenten kan het ook gaan om andere documenten die toelaten vast te stellen of te bewijzen dat de betrokkene het recht op vrij verkeer en verblijf geniet. Wat onder deze andere documenten kan worden verstaan, wordt verduidelijkt in artikel 47 van het vreemdelingenbesluit.

Zelfs al volgt uit de voormelde reglementaire bepalingen dat niet noodzakelijk een geldig paspoort is vereist, moet er in alle geval wel sprake zijn van een bewijs dat de identiteit en nationaliteit van de betrokkene duidelijk vaststelt. Verzoekster legde bij haar aanvraag een vervallen paspoort van de USSR voor. De geldigheidsdatum van het paspoort verstreek reeds in 1998. Op basis van dit reeds lange tijd vervallen paspoort van een land dat bovendien niet langer bestaat, heeft verweerder terecht geoordeeld dat dit document te ver terug gaat in de tijd om de identiteit en nationaliteit van verzoekster met zekerheid te kunnen vaststellen. Er blijkt niet dat verweerder kennelijk onredelijk of met miskenning van de wet heeft gehandeld door vast te stellen dat verzoekster actueel niet op voldoende wijze kan worden geïdentificeerd aan de hand van dit voorgelegde document en dit dus niet aanvaardbaar is als bewijs van identiteit overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen. Gelet op de voorziene motivering moet bovendien worden aangenomen dat de aanvraag tot gezinshereniging niet louter wordt afgewezen omdat geen geldig paspoort voorligt, maar omdat het voorgelegde identiteitsbewijs niet toelaat met zekerheid de identiteit en nationaliteit van verzoekster vast te stellen. Dit dragend motief van de beslissing wordt niet weerlegd.

Verzoekster wijst er nog op dat zij bij haar aanvraag eveneens een uittreksel van haar Belgische huwelijksakte en een geboorteakte voorlegde. Zij stelt dat hierin dezelfde identiteitsgegevens worden vermeld en de geboorteakte door de ambtenaar van de burgerlijke stand werd aanvaard om de huwelijksakte op te stellen. Zij betoogt dat haar identiteit reeds werd aanvaard in het kader van haar huwelijk in België. De Raad herhaalt dat uit de toegepaste reglementaire bepalingen volgt dat er, in het kader van de aanvraag tot gezinshereniging, sprake moet zijn van een bewijs dat de identiteit en nationaliteit van de betrokkene duidelijk vaststelt. Er blijkt geenszins dat de voormelde documenten van aard zijn dit volledige bewijs te kunnen leveren. Deze vaststelling volstaat. Eenzelfde geldt waar verzoekster in de uiteenzetting van haar middel ook nog verwijst naar de geboorteakte van haar kind. De uiteenzetting van verzoekster laat niet toe te besluiten dat de bestreden beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op onzorgvuldige of kennelijk onredelijke wijze of met miskenning van de wet. Een schending van artikel 40ter van de vreemdelingenwet of van de materiële motiveringsplicht of het zorgvuldigheidsbeginsel wordt niet aangetoond.