Samenvatting
In casu moet de Raad tekortkomingen vaststellen in de samenwerkingsplicht, zowel in hoofde van verzoeker als in hoofde van de commissaris-generaal.
Zo moet de Raad vaststellen dat verzoeker in gebreke blijft een duidelijk licht te schijnen op zijn dagelijks leven en activiteiten in de periode vanaf februari 2024 tot op heden. De Raad herhaalt dat initieel uitgebreide stukken voorlagen over zijn schools- en dagelijks leven, doch dat verdere actualiseringen ontbreken. De Raad heeft dan ook onvoldoende zicht op verzoekers huidige invulling van zijn leven in België en de vraag in welke mate hij activiteiten ontplooit, die mogelijks problematisch kunnen zijn bij een terugkeer naar Afghanistan.
Verder moet de Raad vaststellen dat ook de commissaris-generaal in gebreke blijft om de door hem overgemaakte informatie op afdoende wijze te onderzoeken, in het licht van de persoonlijke situatie van verzoeker. Er wordt tot tweemaal toe een aanvullende nota overgemaakt, waarin een onderzoek wordt gevoerd naar verzoekers sociale media en waarin een theoretische toelichting wordt verschaft over de Afghaanse (jongeren)bendes in België. Hierbij moet worden vastgesteld dat verzoeker op geen enkel ogenblik werd geconfronteerd met dit onderzoek, waarbij hem niet de mogelijkheid werd geboden voldoende uitgebreid zijn standpunt hierover kenbaar te maken. Noch het verzoekschrift, noch de terechtzitting betreffen hiertoe geschikte instrumenten. Dit geldt in het bijzonder gelet op de volgende elementen: (i) de New Media Unit geeft in zijn onderzoeken naar verzoekers sociale media op verschillende punten aan dat zij niet met zekerheid kunnen aangeven of bepaalde profielen effectief aan verzoeker toebehoren en of verzoeker effectief te zien is op bepaalde beelden; (ii) de New Media Unit geeft in zijn onderzoeken naar verzoekers sociale media meermaals aan dat verzoeker voornamelijk het profiel van M.S. volgt en hierop reageert, waarbij zij aangeven dat deze persoon betrokken is bij de steekpartij in Lommel, doch uit het door verzoeker neergelegde vonnis van de rechtbank van eerste aanleg blijkt dat voormelde M.S. tevens voorkomt op de lijst van burgerlijke partijen; (iii) nergens in de aanvullende nota’s wordt door de commissaris-generaal concreet teruggekoppeld naar de concrete impact van de informatie van de New Media Unit op de behandeling van verzoekers verzoek om internationale bescherming, zodat noch verzoeker noch de Raad een duidelijk zicht hebben op het concrete belang dat de commissaris-generaal aan deze informatie hecht; (iv) niettegenstaande voormelde vaststelling, koppelt de vertegenwoordiger van de commissaris-generaal ter terechtzitting plots wel terug naar een concreet gevolg hiervan, met name dat verzoekers uitsluiting uit de opvangstructuur, zijn betrokkenheid bij de steekpartij en zijn sociale media contra-indicaties van een verwestering vormen; (v) uit het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg blijken minstens indicaties dat verzoeker in de strafrechtelijke afwikkeling van de steekpartij enkel als burgerlijke partij wordt weerhouden, zodat voormelde verwijzing van de vertegenwoordiger van de commissaris-generaal naar de uitsluitingsbeslissing van verzoeker in de opvangstructuur, die was gegrond op zijn betrokkenheid bij de steekpartij, en de eigenlijke betrokkenheid bij de steekpartij, niet zonder bijkomende context als contra-indicatie kan worden gebruikt. De Raad brengt in deze ook nog in herinnering dat verzoeker tijdens zijn persoonlijke onderhouden verklaarde slachtoffer te zijn geweest van seksueel misbruik in Bulgarije. Dit seksueel misbruik wordt door de commissaris-generaal niet betwist. Niettegenstaande de vaststelling dat de commissaris-generaal in zijn aanvullende nota dd. 2 oktober 2025 in zijn theoretische bespreking van de COI Focus “Afghaanse bendes en sociale media” van 11 september 2023 – waarvan geen consulteerbare link wordt gevoegd – zelf gewag maakt van een verband tussen de Afghaanse bendes en seksueel misbruik, werd door de commissaris-generaal in verzoekers zaak geen onderzoek gevoerd naar het bestaan van een link in deze, laat staan dat hij verzoeker hierover heeft bevraagd.
Het bovenstaande in acht genomen, dient de Raad aldus vast te stellen dat de in casu voorliggende elementen de Raad onvoldoende toelaten om een compleet en correct beeld te krijgen van het geheel van verzoekers omstandigheden, zodat het ook niet mogelijk is om een beoordeling te maken van het risico bij een terugkeer.