Rechtbank van eerste aanleg Brugge - 25/1762/B - 9-01-2026

Samenvatting

De rechtbank is van oordeel dat de vastgestelde onderbrekingen onvoldoende zijn om te kunnen oordelen dat de vijf jaar wettelijk verblijf voorafgaand aan de nationaliteitsverklaring van X onderbroken waren. Ook al heeft de wetgever geopteerd voor een strikt documentair systeem voor wat betreft het bewijs van het wettelijk ononderbroken verblijf, de rechtbank is van oordeel dat de onderbrekingen niet in het nadeel van X kunnen worden uitgelegd, nu uit het geheel van de bevindingen niet kan worden besloten dat de onderbrekingen/de niet tijdige verlenging van de verblijfstitels te wijten zijn aan enige nalatigheid in hoofde van X.

De rechtbank houdt tevens de doelstelling van de wet in gedachten, zijnde de wetgever heeft de toekenning van de Belgische nationaliteit willen voorbehouden aan personen die een daadwerkelijke band met de Belgische samenleving hebben. De voornoemde onderbrekingen zijn naar het oordeel van de rechtbank geenszins van die aard om te concluderen dat X deze daadwerkelijke band met de Belgische samenleving niet heeft, te meer gelet op artikel 7bis, § 3 WBN aangaande de tijdelijke afwezigheden van maximum zes maanden die, voor zover niet langer dan één vijfde van de vereiste termijn wettelijk verblijf, geen onderbreking in dat ononderbroken wettig verblijf uitmaken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan alle grondvoorwaarden in hoofde van X is voldaan.