EHRM: aanvraag gezinshereniging mag niet jarenlang aanslepen wanneer familie bepaalde documenten niet kan overhandigen
In het kort
Op 23 juni 2026 velde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) drie arresten waarin het oordeelde dat Griekenland de artikelen 8 en 13 (in samenhang met artikel 8) EVRM had geschonden door jarenlang geen beslissing te nemen in dossiers waarbij gezinshereniging werd gevraagd omdat de door de wet voorgeschreven bewijsstukken ontbraken. Het EHRM kwam tot het besluit dat de Griekse overheid geen juist evenwicht had gevonden tussen de in het geding zijnde belangen: het belang van verzoeker om met zijn familie herenigd te worden en het belang van de Staat om immigratie te controleren. In dossiers gezinshereniging moet het besluitvormingsproces flexibel, snel en doeltreffend zijn om het recht op eerbieding van het gezins- en familieleven te waarborgen.
Deze arresten zijn ook voor België relevant omdat ze enerzijds in herinnering brengen dat binnen een redelijke termijn een beslissing moet worden genomen over de aanvraag gezinshereniging en anderzijds benadrukken dat van familieleden van erkende vluchtelingen niet het onmogelijk mag worden verwacht wat de gevraagde bewijsstukken betreft.
Wettelijk kader: Gezinsherenigingsrichtlijn
Het recht op eerbiediging van het gezin- en familieleven van o.a. erkende vluchtelingen werd op Europees niveau uitgewerkt in de Gezinsherenigingsrichtlijn. Het Hof van Justitie heeft al meermaals bevestigd dat de Gezinsherenigingsrichtlijn beoogt gezinshereniging te bevorderen. Het bewijs van verwantschap wordt in principe geleverd aan de hand van gelegaliseerde en vertaalde authentieke documenten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan geboorteaktes en/of een huwelijksakte. Is de referentiepersoon een erkend vluchteling en kunnen geen officiële bewijsstukken worden overgelegd, dan moeten de nationale autoriteiten (in België: DVZ) rekening houden met andere bewijsmiddelen.
Voor het bewijs van een gezinsband kunnen lidstaten gesprekken houden met de gezinshereniger en zijn familieleden en ander onderzoek verrichten. Op de referentiepersoon en het familielid of de familieleden die gezinshereniging aanvragen, rust een samenwerkingsplicht. Die samenwerkingsplicht houdt in dat de referentiepersoon en zijn familielid:
- alle relevante bewijzen verstrekken om te oordelen of de aangevoerde gezinsband daadwerkelijk bestaat;
- antwoord geven op vragen daarover van de lidstaat;
- zich ter beschikking houden van de nationale overheden voor gesprekken of andere onderzoeken;
- wanneer ze geen officiële bewijsstukken kunnen overleggen waaruit de gezinsband blijkt, uitleggen waarom ze dat niet kunnen.
In elk geval mag een afwijzing van het verzoek niet louter gebaseerd zijn op het ontbreken van bewijsstukken. De bijzondere situatie van vluchtelingen die gedwongen waren hun land te ontvluchten, rechtvaardigt dit.
Gezinshereniging in Griekenland: letter van de wet versus praktijk
In Griekenland is de Gezinsherenigingsrichtlijn, net zoals België, omgezet in nationale wetgeving. De Griekse wetgeving vraagt van de erkende vluchteling die zich wil laten vergezellen door zijn familieleden de volgende bewijsstukken:
- een verzoek tot gezinshereniging
- een vertaald en gelegaliseerd certificaat van de familiale situatie (un certificat de situation familiale)
- een kopie van de reisdocumenten van de familieleden die gezinshereniging vragen.
Net zoals de Gezinsherenigingsrichtlijn schrijft de Griekse wet voor dat wanneer het niet mogelijk is voor de referentiepersoon en zijn familie om authentieke documenten te overhandigen die de gezinsband aantonen, er rekening moet worden gehouden met andere bewijsstukken. De beslissing om geen gezinshereniging toe te staan, zal in geen geval uitsluitend gebaseerd zijn op de afwezigheid van documenten. Wanneer de gevraagde bewijsstukken niet kunnen worden voorgelegd, schrijft de Griekse wet voor dat de bevoegde autoriteiten de erkende vluchteling en zijn familieleden kunnen uitnodigen voor een gesprek of elk ander nuttig onderzoek kunnen verrichten.
In minstens drie dossiers weigerden de Griekse autoriteiten gezinshereniging toe te staan omdat de verzoekers geen authentieke documenten konden voorleggen. De Griekse autoriteiten namen geen weigeringsbesluit maar gaven de verzoekers steeds een bijkomende termijn om de gevraagde documenten – die door de verzoekers onmogelijk of zeer moeilijk verkregen konden worden – voor te leggen. Het EHRM merkte op dat de verzoekers respectievelijk al meer dan zeven (Dotani t. Griekenland), vier (Suji t. Griekenland) en vijf (T.N. t. Griekenland) jaar aan het wachten waren op een beslissing over hun aanvraag gezinshereniging.
Nationale rechtsmiddelen uitgeput?
Vooraleer het EHRM zich over de grond van de zaak boog, onderzocht het de ontvankelijkheid van de verzoeken. Volgens de Griekse overheid waren de verzoeken onontvankelijk aangezien in geen van de dossiers al een (weigerings)beslissing werd genomen waartegen een administratief beroep openstaat.
Het EHRM volgde de redenering van de Griekse overheid niet en oordeelde dat de procedures voor het EHRM ontvankelijk waren ook al werden geen nationale beroepsprocedures gevoerd. De Griekse wetgeving voorziet immers enkel een beroepsmogelijkheid tegen een expliciete weigering en de Griekse overheid er niet is in geslaagd aan te tonen dat er er ten tijde van de feiten een effectief en beschikbaar rechtsmiddel bestond, zowel in theorie als in de praktijk, dat het mogelijk maakt op te treden tegen het nalaten van de overheid om een beslissing te nemen over een verzoek tot gezinshereniging.
Recht op eerbiediging van het gezins- en familieleven t.a.v. vluchtelingen
Vooraleer in te gaan op de vermeende schending van art. 8 EVRM, herhaalde het EHRM in elk van de hierboven aangehaalde arresten enkele algemene principes die volgen uit eerdere rechtspraak.
Ten eerste benadrukte het EHRM de positieve verplichting die rust op de verdragsstaten om gezinshereniging toe te staan als er onoverkomelijke of grote belemmeringen zijn voor het gezin om te gaan wonen in het land van herkomst van de persoon die om gezinshereniging verzoekt.
Vervolgens herhaalde het EHRM dat het (nationale) besluitvormingsproces voldoende flexibel, snel en doeltreffend moet zijn om het recht op eerbieding van het gezins- en familieleven te waarborgen. Er moet tevens een individuele beoordeling plaatsvinden met als uitgangspunt de eenheid van het gezin gericht op het vinden van een juist evenwicht in het licht van de concrete situatie van de betrokkenen.
Het EHRM ging daarna in op de bijzondere positie van vluchtelingen en hernam twee principes uit eerdere rechtspraak:
- De eenheid van het gezin is een essentieel recht van vluchtelingen waarbij gezinshereniging een fundamenteel onderdeel is om mensen die hun land zijn ontvlucht, in staat te stellen weer een normaal leven op te bouwen.
- Zowel op internationaal als Europees niveau bestaat consensus over de noodzaak vluchtelingen aan een gunstigere procedure te onderwerpen in vergelijking met andere vreemdelingen wanneer het gaat over gezinshereniging.
Tot slot benadrukt het EHRM dat hoewel uit art. 8 EVRM geen algemene verplichting kan worden afgeleid om gezinshereniging toe te staan, het recht op eerbieding van het gezins- en familieleven steeds concreet en effectief moet zijn, en niet louter theoretisch en illusoir. Het EHRM sluit af met de woorden dan van vluchtelingen niet verwacht kan worden het onmogelijke te doen om gezinshereniging te verkrijgen.
Doorstaat het uitblijven van beslissing over gezinshereniging toets van art. 8 EVRM?
In juli 2026 onderzocht het EHRM in drie verschillende zaken of de beslissing van de Griekse autoriteiten om geen beslissing te nemen in dossiers gezinshereniging de toets van art. 8 EVRM doorstaat. Aangezien de verzoekers niet de gevraagde (officiële) documenten konden voorleggen, werden de aanvragen gezinshereniging (jarenlang) on hold gezet.
In zijn beoordeling vertrok het EHRM telkens van de positieve verplichting die rust op Verdragsstaten om het recht op eerbiediging van het gezins- en familieleven van vluchtelingen te waarborgen. Concreet ging het EHRM na of Griekenland, binnen de grenzen van zijn beoordelingsmarge, een juist evenwicht had gevonden tussen het belang van de verzoekers om met hun familie herenigd te worden en het belang van de Staat om immigratie te controleren.
Dotani tegen Griekenland
Verzoeker in deze zaak, een Afghaanse man die in 2018 erkend werd als vluchteling in Griekenland, diende meer dan zeven jaar geleden een aanvraag gezinshereniging in voor zijn vrouw en vijf minderjarige kinderen. De Griekse autoriteiten weigerden een beslissing te nemen over de aanvraag gezinshereniging omdat geen gelegaliseerde documenten en geldige reisdocumenten voorlagen. Ook was er een probleem met de geboortedata van twee van de vijf kinderen. Aanvankelijk weigerde de Griekse consulaire post in Islamabad om de voorgelegde documenten te legaliseren omdat ze ouder waren dan zes maanden. Na de machtsovername door de Taliban kreeg de verzoeker te horen dat geen enkel Afghaans document nog werd gelegaliseerd. Verzoeker kreeg van de Griekse consulaire post te horen dat zijn dossier was afgesloten.
Wat de geboortedata van de twee zonen betreft, merkt het EHRM op dat Griekenland heeft nagelaten te onderzoeken of de door verzoeker gegeven uitleg voldoende samenhangend en gedetailleerd was. Het EHRM verwijt Griekenland ook dat het geen alternatieven heeft aangeboden, wetende dat het niet mogelijk was voor verzoeker om de gevraagde documenten te overhandigen.
Met betrekking tot de vereiste dat geldige reisdocumenten dienen voor te liggen, oordeelde het EHRM dat Griekenland zich onvoldoende soepel heeft opgesteld. De identiteit van de familieleden kan ook op andere manieren worden geverifieerd.
Door te blijven eisen van verzoeker dat hij gelegaliseerde documenten voorlegt en de beslissing inzake de aanvraag gezinshereniging telkens uit te stellen, heeft de Griekse overheid geen individuele, evenwichtige en redelijke beoordeling gemaakt waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante elementen. De Griekse autoriteiten hebben geen rekening gehouden met het feit dat het voor verzoeker objectief gezien onmogelijk was om gelegaliseerde documenten te verkrijgen. Ook heeft Griekenland de daadwerkelijke uitoefening van het recht op gezinshereniging niet gewaarborgd, aangezien het geen alternatieven heeft voorgesteld om het gebrek aan gelegaliseerde documenten te verhelpen. Daarnaast hebben de Griekse autoriteiten geen rekening gehouden met het feit dat het voor verzoeker, die erkend werd als vluchteling, onmogelijk is om zijn gezins- en familieleven uit te oefenen in Afghanistan.
T.N. tegen Griekenland
In deze zaak namen de Griekse autoriteiten al meer dan vijf jaar geen beslissing in de aanvraag gezinshereniging van een Burundese man die in Griekenland erkend werd als vluchteling in 2020. De familieleden van de man, zijn vrouw en twee minderjarige kinderen, verbleven in Zuid-Afrika waar zij internationale bescherming vroegen. Griekenland nam geen beslissing over de aanvraag gezinshereniging omdat de familie niet in de mogelijkheid was een ‘volledig’ certificaat van de familiale situatie en geldige reisdocumenten voor te leggen.
Wat het bewijs van de familieband betreft, oordeelde het EHRM dat deze zaak getuigde van een manifest gebrek aan flexibiliteit. Rekening houdend met de Gezinsherenigingsrichtlijn rust op Verdragsstaten de verplichting om rekening te houden met andere bewijsmiddelen, in gesprek te gaan met de familieleden en/of over te gaan tot ander onderzoek indien er twijfels bestaan over de gezinsbanden. Door te blijven inzetten op het voorleggen van een ‘volledig’ certificaat van de familiale situatie of de overhandiging van gelegaliseerde en vertaalde geboorteakten en een huwelijksakte heeft Griekenland, in plaats van een daadwerkelijk alternatief aan te bieden, blijk gegeven van een manifest gebrek aan flexibiliteit.
Rekening houdend met de nationale rechtspraak kwam het EHRM tot hetzelfde besluit wat de overhandiging van geldige reisdocumenten betreft.
Bij zijn beoordeling had het EHRM ook bijzondere aandacht voor de samenwerkingsplicht die rust op de referentiepersoon en zijn familieleden en de noodzaak elke aanvraag individueel te beoordelen rekening houdend met de specifieke omstandigheden eigen aan de zaak. Als specifieke omstandigheden eigen aan de zaak verwees het EHRM o.a. naar de onmogelijkheid hun nationale autoriteiten te contacteren, de onmogelijkheid hun gezinsleven te leiden in hun land van herkomst en het hoger belang van de minderjarige kinderen.
Suji tegen Griekenland
In tegenstelling tot de twee andere zaken, nam Griekenland in deze zaak na ongeveer vier jaar een positieve beslissing over de aanvraag gezinshereniging van de vrouw en minderjarige kinderen van een staatloze man die erkend werd als vluchteling. Ook in deze zaak was het voor de familie niet mogelijk om de gevraagde stukken voor te leggen.
Vooraleer in te gaan op de vermeende schending van art. 8 en 13 EVMR onderzocht het EHRM de ontvankelijkheid van de zaak. Aangezien de familieleden van de man ondertussen een verblijfsrecht kregen, wierp Griekenland op dat de verzoeker niet (langer) als slachtoffer van een schending van het EVRM beschouwd kon worden. Verwijzend naar eerdere rechtspraak verduidelijkte het EHRM dat een verzoeker de hoedanigheid van slachtoffer enkel verliest wanneer de nationale autoriteiten de aangevoerde schending van het EHRM hebben erkend én hersteld. Dit was hier niet het geval. Het EHRM merkte op dat de positieve beslissing over de aanvraag gezinshereniging niet gepaard ging met een schadevergoeding. De zaak is derhalve ontvankelijk.
In zijn beoordeling benadrukte het EHRM dat de Griekse autoriteiten hadden moeten weten dat het voor Rohingya, een islamitische etnische minderheid uit de staat Rakhine in Myanmar, onmogelijk was om de gevraagde documenten voor te leggen. Waar de Griekse autoriteiten een zekere soepelheid aan de dag legden voor het bewijs van de verwantschapsbanden, merkt het EHRM op dat de autoriteiten dit niet deden voor de reisdocumenten die voorgelegd moeten worden. In nationale rechtspraak zou dit onderscheid niet gemaakt worden. Uit die rechtspraak blijkt dat gezinshereniging niet mag worden geweigerd enkel en alleen omdat geen officiële bewijsstukken voorliggen. De autoriteiten moeten steeds een individuele en bijzonder gemotiveerde beoordeling maken waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden eigen aan de zaak vooraleer de gezinshereniging kan worden geweigerd.
Conclusie EHRM: besluitvormingsproces gezinshereniging moet voldoende flexibel, snel en doeltreffend zijn
In alle drie de zaken kwam het EHRM tot het besluit dat Griekenland art. 8 EVRM had geschonden omdat het geen billijk evenwicht had gevonden tussen de in het geding zijnde belangen. Vooral het besluitvormingsproces, dat ondertussen in elke zaak al meerdere jaren aansleepte, miste volgens het EHRM de waarborgen van flexibiliteit, snelheid en doeltreffendheid die vereist zijn om het recht op eerbiediging van gezins- en familieleven van de verzoeker te waarborgen.