Gezinshereniging: diverse wijzigingen
Grondwettelijk Hof schorst de nieuwe regeling voor nareizende gezinsleden van subsidiair beschermden
Het Grondwettelijk Hof (GwH) schorste op 26 februari 2026, bij arrest 24/2026 een aantal bepalingen van de Verblijfswet. Deze schorsing heeft de volgende gevolgen:
- Nareizende gezinsleden in het buitenland van subsidiair beschermden die hun beschermingsstatus verkregen na 18-08-2025, zijn vrijgesteld van de betaling van de retributie bij de verblijfsaanvraag;
- Voor nareizende gezinsleden in het buitenland van subsidiair beschermden die hun beschermingsstatus verkregen na 18-08-2025 geldt geen wachttermijn. De materiële voorwaarden zijn evenmin van toepassing (bestaansmiddelenvereiste, ziektekostenverzekering, huisvestingsvereiste);
- De cascaderegeling voor de bewijsvoering van de bloed- of aanverwantschapsband wordt opnieuw van toepassing voor nareizende gezinsleden in het buitenland van subsidiair beschermden die hun beschermingsstatus verkregen na 18-08-2025. DVZ moet dus ook niet-officiële bewijzen van deze band in aanmerking nemen.
Deze schorsing is tijdelijk, totdat het GwH uitspraak doet en die gepubliceerd wordt in het Belgisch Staatsblad. Voor meer info, lees ons nieuwsbericht over het schorsingsarrest.
In het kort
Op 18-8-2025 trad de wet tot wijziging van de Verblijfswet wat gezinshereniging betreft in werking. In deze wet wordt het recht op gezinshereniging met begunstigden van subsidiaire bescherming ingeperkt. Men verstrengt de inkomstenvoorwaarde bij gezinshereniging met derdelanders en Belgen. Er komt voor bepaalde situaties een (langere) wachttermijn. De leeftijdsgrens voor gezinshereniging met een partner wordt in principe 21 jaar. De periode voor vrijstelling van materiële voorwaarden wordt beperkt tot 6 maanden bij gezinshereniging met vluchtelingen en staatlozen en wordt afgeschaft voor subsidiair beschermden. Op verschillende punten rijzen vragen qua interpretatie en ook naar overeenstemming met het Unierecht en de grondrechten. Er zijn nog heel wat onduidelijkheden. We zullen dit artikel in de toekomst verder actualiseren.
Opgelet! Er is een overgangsperiode van 2 jaar voorzien voor bepaalde categorieën. Voor aanvragen gezinshereniging met Belgen en met vreemdelingen die vóór 18-8-2025 al een verblijfsrecht van meer dan 3 maanden hadden, blijven de oude regels nog gelden in geval van indiening vóór 18-8-2027.
Specifieke categorieën van gezinsherenigers
De wet van 18 juli 2025 bevat heel wat hervormingen en beperkingen op het recht met begunstigden van subsidiaire bescherming.
- Er wordt een nieuwe indeling ingevoerd die het recht op gezinshereniging met erkende vluchtelingen (EV), subsidiair beschermden (SB), staatlozen (SL) en tijdelijk beschermden (TB) regelt. Gezinshereniging van 'meereizende' familieleden , 'nareizende' familieleden wordt apart geregeld.
- Gezinsvorming (dwz een aanvraag gezinshereniging op basis van een verwantschapsband, bv een huwelijk, die pas ontstaan is na de aankomst van de subsidiair beschermde in België) is niet meer mogelijk voor subsidiair beschermden met een beperkt verblijf. De wet vereist bij gezinshereniging met subsidiair beschermden met beperkt verblijf dat de gezinsbanden reeds bestonden voor aankomst van de subsidiair beschermde in België. Indien de subsidiair beschermde aan gezinsvorming wilt doen, moet hij of zij wachten totdat hij of zij een onbeperkt verblijfsrecht heeft (desgevallend kan er een wachttermijn van toepassing zijn) of een statuutswijziging bekomt.
De mogelijkheid tot gezinshereniging van nareizende ouders met niet begeleide begunstigden van subsidiaire bescherming wordt afgeschaft, dit is niet opgenomen in het nieuw art. 10bis, §2/1 Vw.
Deze beperkingen impliceren niet dat de betrokken familieleden in geen enkel geval nog een verblijfsrecht kunnen bekomen als familielid van de subsidiair beschermde. Een humanitair visum kan steeds aangevraagd worden en een subsidiair beschermde kan in bepaalde omstandigheden en onder de wettelijke voorwaarde in aanmerking komen voor een statuutswijziging naar bijvoorbeeld arbeidsmigrant, waardoor bijvoorbeeld de wachttermijn zou kunnen vervallen.
- Afschaffing grace period van 1 jaar waarbinnen een aanvraag gezinshereniging gedaan kon worden waarbij men vrijgesteld was van de materiële voorwaarden.
- De bestaansmiddelenvereiste wordt met andere woorden van toepassing bij gezinshereniging. Er is een uitzondering voorzien wanneer enkel minderjarige of meerderjarige gehandicapte kinderen gezinshereniging aanvragen en in zoverre de gezinsband reeds bestond voor aankomst van de referentiepersoon in België.
- Er wordt een wachttermijn van 2 jaar ingevoerd bij de aanvragen ingediend door nareizende familieleden van subsidiair beschermden, die vervalt wanneer de subsidiair beschermde zich enkel laat vervoegen door diens minderjarige kinderen of meerderjarige gehandicapte kinderen. Deze wachttermijn is niet van toepassing op de meeste andere derdelanders met beperkt verblijf, met uitzondering van humanitair geregulariseerden en begunstigden van tijdelijke bescherming). Men kan zich afvragen of deze ongelijke behandeling legitiem is.
- De voorwaarde inzake huisvesting wordt hervormd, maar de concrete uitwerking moet bepaald worden bij in ministerraad overlegd KB dat nog niet gepubliceerd werd.
DVZ zal niet meer verplicht zijn af te wijken van de vereiste om officiële documenten voor te leggen die de bloed- of aanverwantschapsband aantonen bij gezinshereniging van nareizende familieleden van subsidiair beschermden die geen officiële documenten kunnen voorleggen. DVZ kan nog wel afwijken van deze vereiste.
De vraag rijst of deze bepaling voldoende rechtszekerheid biedt en of ze daarenboven voldoende garanties biedt voor personen die in de onmogelijkheid zijn om de nodige officiële documenten te verkrijgen. Ook maakt de ongelijke behandeling tussen nareizende familieleden van erkende vluchtelingen en subsidiair beschermden mogelijks een discriminatie uit, aangezien zij vaak met dezelfde moeilijkheden geconfronteerd worden.
- Meereizende gezinsleden van de subsidiair beschermde kunnen voortaan allen een aanvraag gezinshereniging indienen in België, zonder buitengewone omstandigheden te moeten aantonen.
- Het verblijfsrecht van het familielid dat komt samenleven met de subsidiair of tijdelijk beschermde kan beëindigd worden, net als het verblijfsrecht van een gezinslid van een derdelander met beperkt verblijfsrecht. Naast de reeds bestaande omstandigheden waarin dit kan, zal dit nu ook kunnen wanneer een wettelijk geregistreerde partner huwt met een andere persoon.
- De leeftijdsgrens voor gezinshereniging als echtgenoot of wettelijk geregistreerde partner van een subsidiair beschermde wordt in principe 21 jaar, al is deze grens 18 jaar bij de meereizende partners.
- Er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen wettelijk geregistreerde partners en een partnerschap gelijkgesteld met het huwelijk.
- Er staat nu ook een schorsend beroep open tegen een weigering van een verlenging afgegeven aan de familieleden van begunstigden van subsidiaire en tijdelijke bescherming die hun familieleden nagereisd zijn .
- Er zal voortaan retributie betaald moeten worden door nareizende familieleden die gezinshereniging aanvragen met subsidiair beschermden, en door familieleden van subsidiair beschermden met onbeperkt verblijf indien de gezinsbanden nog niet bestonden voordat de subsidiair beschermde aankwam in België.
- Art. 57/34/1 Vw wordt geschrapt en art. 24 van de wet van 18 juli 2025 voorziet geen overgangsbepalingen voor aanvragen ingediend op basis van dit artikel. Art. 57/34 Vw wordt herzien, maar de geest van het artikel blijft behouden. Deze artikelen waren ingevoerd bij wet van 10 maart 2024 om familieleden van begunstigden van tijdelijke bescherming die geen recht op gezinshereniging hadden op basis van toen bestaande bepalingen inzake gezinshereniging en die zelf geen recht hadden op tijdelijke bescherming alsnog een uitgebreid recht op gezinshereniging te bieden. De familieleden die zich voordien op deze bepaling baseerden voor hun aanvraag gezinshereniging moeten voortaan hun aanvraag indienen op basis van art. 10bis, §2/1 Vw. Opgelet, hoewel verblijfsverlengingen nog mogelijk zullen blijven voor gezinshereniging toegekend o.b.v. art. 57/34/1 Vw zullen vanaf 18 augustus 2025 geen verblijfstitels meer toegekend kunnen worden naar aanleiding van een aanvraag gezinshereniging op basis van dit artikel.
- Er wordt een wachttermijn van 2 jaar ingevoerd bij aanvragen gezinshereniging met tijdelijk beschermden obv art. 10bis, §2/1 Vw. (en dus niet bij aanvragen obv art. 57/34 Vw). Deze wachttermijn vervalt wanneer de tijdelijk beschermde zich enkel laat vervoegen door diens minderjarige kinderen of meerderjarige kinderen met een handicap. Deze wachttermijn is niet van toepassing op andere derdelanders met beperkt verblijf (met uitzondering van personen met een verblijf o.b.v. art. 9bis Vw. en begunstigden van tijdelijke bescherming). Men kan zich afvragen of deze ongelijke behandeling legitiem is.
- De wet voorziet geen mogelijkheid tot gezinsvorming, maar vereist dat de gezinsbanden reeds bestonden alvorens de tijdelijk beschermde aankwam in België.
- Voor de gezinshereniging met tijdelijk beschermden die buiten het toepassingsgebied van art. 57/34 Vw vallen en, nu art. 57/34/1 geschrapt werd gezinshereniging aanvragen in toepassing van art. 10bis, §2/1 Vw is de nieuwe bestaansmiddelenvereiste van toepassing. Deze bestaansmiddelenvereiste vervalt wanneer de tijdelijk beschermde zich enkel laat vervoegen door diens minderjarige kinderen of meerderjarige gehandicapte kinderen.
- Er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen wettelijk geregistreerde partnerschappen en aan het huwelijk gelijkgestelde partnerschappen.
- De voorwaarde inzake huisvesting wordt hervormd. Deze voorwaarde vergt een uitvoeringsbesluit, in ministerraad beslist en dat besluit is er nog niet.
- Het verblijfsrecht van het familielid dat komt samenleven met de subsidiair of tijdelijk beschermde kan beëindigd worden net als het verblijfsrecht van een gezinslid van een derdelander met beperkt verblijfsrecht. Naast de reeds bestaande omstandigheden waarin dit kan, zal dit nu ook kunnen wanneer een wettelijk geregistreerde partner huwt met een andere persoon.
- De leeftijdsgrens voor gezinshereniging met een partner wordt in principe 21 jaar.
- Er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen wettelijk geregistreerde partners en een partnerschap gelijkgesteld met het huwelijk.
De wet van 18-07-2025 maakt een onderscheid tussen gezinshereniging met EV en SB, wat voordien niet gemaakt werd. Ook roept de wetgever een nieuwe wettelijke indeling in het leven, waarbij een onderscheid in het recht op gezinshereniging wordt voorzien tussen meereizende en nareizende familieleden.
- De meereizende familieleden kunnen de aanvraag gezinshereniging indienen in België zonder bijzondere omstandigheden te moeten aantonen, wat niet steeds mogelijk was onder oud art. 10 Vw.
- Voor gezinshereniging met EV en SL wordt de grace period, de periode van vrijstelling van materiële voorwaarden, ingekort van 12 maanden naar 6 maanden.
Er moet voortaan ook een retributie betaald worden bij de aanvragen tot gezinsvorming (dus als de verwantschap nog niet bestond voordat de referentiepersoon in België aankwam) met erkende vluchtelingen en staatlozen. Deze regel is van toepassing voor
- aanvragen gezinsvorming vanaf 18-8-2025 met een erkende vluchteling of staatloze vanaf 18-8-2025, en
- aanvragen gezinsvorming vanaf 18-8-2027 met een erkende vluchteling of staatloze vóór 18-8-2025.
De RvS stipte in zijn advies aan dat dit onderscheid rekening moet houden met de EHRM-rechtspraak die het verschil in behandeling bij gezinsvorming versus -hereniging veroordeeld heeft . De wetgever lijkt dit niet gedaan te hebben.
- Er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen wettelijk geregistreerde partners en een partnerschap gelijkgesteld met het huwelijk.
- Er is geen recht op gezinshereniging meer voor de nareizende andere ouder van de begeleide minderjarige met internationale bescherming, wel nog voor de meereizende ouders.
- De ouders van niet-begeleide subsidiair beschermden zullen geen recht meer hebben op gezinshereniging. Ook de nareizende (andere) ouder van een begeleide minderjarige begunstigde van internationale bescherming zal geen recht meer hebben op gezinshereniging.
- Deze personen kunnen wel nog steeds een humanitair visum aanvragen.
In artikel 10 Vw wordt een aparte categorie in het leven geroepen voor de familieleden van derdelanders met onbeperkt verblijf . Er veranderen ook inhoudelijk heel wat zaken:
- Er wordt een aanpassing gedaan aan de wachttermijn voor gezinshereniging- en gezinsvorming met derdelander die onbeperkt verblijfsrecht heeft.
- De bestaansmiddelenvereiste wordt verstrengd.
- De huisvestingsvoorwaarde wordt hervormd.
- Er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen wettelijk geregistreerde partners en een partnerschap gelijkgesteld met het huwelijk.
Daarnaast is het belangrijk te weten dat familieleden van begunstigden van internationale bescherming en staatlozen die samenleven met de begunstigde/staatloze voortaan op hetzelfde ogenblik een verblijfsrecht van onbeperkte duur krijgen als de referentiepersoon, voor zover ze nog steeds voldoen aan de voorwaarden van art. 10 Vw. en geen gevaar vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid.
De wet van 18-08-2025 omvat heel wat wijzigingen. De wijzigingen inzake gezinshereniging met arbeidsmigranten blijven relatief beperkt, al zal de wijziging van het referentiebedrag een bijkomende werklast met zich meebrengen. De volgende zaken veranderen voor aanvragen gezinshereniging met arbeidsmigranten die lang verblijf kregen na 18-08-2025 en bij verlengingen aangevraagd na 18-08-2027 van lang verblijf op basis van gezinshereniging met arbeidsmigranten die hun verblijfsrecht kregen voor 18-08-2025:
Bij gebrek aan een gelijkstelling tussen medisch geregulariseerden en begunstigden van subsidiaire bescherming zijn de regels die van toepassing zijn op derdelanders in beperkt verblijf van toepassing op de aanvragen gezinshereniging met medisch geregulariseerden.
- huisvestingsvoorwaarde
- bestaansmiddelenvereiste
- Er wordt een aparte regeling voorzien voor begunstigden van subsidiaire en tijdelijke bescherming en er is een wachttermijn voor gezinshereniging met humanitair geregulariseerden, wat niet het geval is bij gezinshereniging met andere personen met beperkt verblijf.
- Er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen wettelijk geregistreerde partners en een partnerschap gelijkgesteld met het huwelijk.
In principe zijn dezelfde regels van toepassing op gezinshereniging met humanitair geregulariseerden (art. 9bis Vw). Er is echter een belangrijke hervorming. Er wordt namelijk een wachttermijn van 2 jaar voorzien voor gezinshereniging met personen met een verblijfsstatuut o.b.v. art. 9bis Vw.
Voor het overige veranderen de volgende zaken:
De wet van 18-07-2025 voorziet enkele wijzigingen in het recht op gezinshereniging met Belgen, al treden die pas in werking vanaf 18 augustus 2027. Het betreft de volgende zaken:
- De verhoging van het referentiebedrag, de invoering van een bijkomende verhoging van het referentiebedrag per gezinslid ten laste en een hervorming van de behoefteanalyse
- De leeftijdsgrens voor gezinshereniging met een partner wordt in principe 21 jaar.
- De huisvestingsvoorwaarde wordt hervormd. Voor gezinshereniging met Belgen blijft vooralsnog de vrije bewijsvoering van toepassing.
Deze wet heeft een beperkte impact op de familieleden van Unieburgers. De enige wijziging die impact heeft op de familieleden van Unieburgers is de verschuiving van de bewijslast in het kader van een behoefteanalyse wanneer de economisch niet actieve Unieburger riskeert niet voldoende bestaansmiddelen te hebben om te voorkomen dat hij of zijn familie ten laste valt van de Belgische sociale bijstand.
Schrapping bepaalde mogelijkheden tot gezinshereniging met begunstigden van internationale bescherming
Rechthebbende familieleden vóór de inwerkingtreding op 18-8-2025
Vóór de inwerkingtreding van de wet van 18 juli 2025 maakte de Belgische wetgeving geen onderscheid tussen het recht op gezinshereniging van subsidiair beschermden en dat van erkende vluchtelingen.
Oud artikel 10, §1, 4°-8° Vw voorziet in een recht op gezinshereniging voor de volgende familieleden van subsidiair beschermden, erkende vluchtelingen en personen met verblijf als staatloze:
- de echtgenoot of de partner waarmee een partnerschap dat als gelijkwaardig beschouwd wordt aan het huwelijk gesloten werd,
- de gemeenschappelijke minderjarige kinderen,
- de minderjarige kinderen van de referentiepersoon of diens echtgenoot/voormelde geregistreerde partner
- de wettelijk geregistreerde partner (en diens minderjarige kinderen)
- ongehuwde meerderjarige gehandicapte kinderen
- de ouders van een niet-begeleide minderjarige met subsidiaire bescherming, vluchtelingenstatus of verblijf als staatloze
- de ouders van een begeleide minderjarige met subsidiaire bescherming of vluchtelingenstatus
De volgende familieleden van derdelanders met onbeperkt verblijf hebben ook een recht op gezinshereniging:
- de echtgenoot of de partner waarmee een partnerschap dat als gelijkwaardig beschouwd wordt aan het huwelijk gesloten werd,
- de gemeenschappelijke minderjarige kinderen,
- de minderjarige kinderen van de referentiepersoon of diens echtgenoot/voormelde geregistreerde partner
- de wettelijk geregistreerde partner (en diens minderjarige kinderen)
- ongehuwde meerderjarige gehandicapte kinderen
Rechthebbende familieleden na de inwerkingtreding op 18-8-2025
De wet van 18 juli 2025 heeft een onderscheid gemaakt tussen het recht op gezinshereniging van erkende vluchtelingen/staatlozen versus subsidiaire (en tijdelijk) beschermden. Waar voordien subsidiair beschermden en erkende vluchtelingen gelijkgesteld waren op dit vlak wordt nu een onderscheid gemaakt tussen samenlevende (meereizende) familieleden en familieleden die komen samenleven (nareizende). De periode van vrijstelling van de materiële voorwaarden bij gezinshereniging met subsidiair beschermden wordt afgeschaft.
Er is geen recht meer op gezinshereniging voor de ouders van niet-begeleide minderjarige subsidiair beschermden. Ook is er geen recht op gezinshereniging meer voor de nareizende ouder(s) van begeleide minderjarige begunstigden van internationale bescherming. Er is evenmin recht op gezinsvorming met subsidiair beschermden met beperkt verblijf. Deze familieleden hebben de mogelijkheid om humanitaire visa aan te vragen als zij een verblijfsrecht in België willen bekomen of om te wachten tot de subsidiair beschermde onbeperkt verblijfsrecht heeft.
De wet voorziet een nieuwe opdeling in de onderstaande categorieën.
1. Familieleden die samenleven met begunstigden van internationale bescherming en staatlozen
Deze familieleden bevinden zich al in België in verband met het verzoek om internationale bescherming of toelating tot verblijf wegens staatloosheid, maar komen zelf niet in aanmerking voor dergelijke bescherming. De wetgever voegt hieraan de voorwaarde toe dat de gezinsbanden al bestonden vóór aankomst in België en dat de toelating tot verblijf verenigbaar is met de persoonlijke juridische status van het familielid. Er zijn geen materiële voorwaarden van toepassing (zoals de bestaansmiddelenvereiste, huisvestingsvoorwaarde of vereiste inzake de ziektekostenverzekering).
Echtgenoot (+18 jaar)
Wettelijk geregistreerde partner (+18 jaar)
Gemeenschappelijke minderjarige kinderen op voorwaarde dat de kinderen samenleven met hen voordat zij 18j en ongehuwd zijn
Minderjarige kinderen van de begunstigde van IB of diens echtgenoot/geregistreerde partner op voorwaarde dat de kinderen met hen komen samenleven voordat ze 18j zijn en ze ongehuwd zijn. Voor zover de begunstigde van IB/diens partner het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring uitoefent én de kinderen ten laste zijn van de begunstigde van IB/diens partner. Bij gedeeld ouderlijk gezag moet de andere houder ervan toestemming geven.
Meerderjarig gehandicapt kind van de begunstigde van IB of diens partner, op voorwaarde dat het kind een attest voorlegt van een door de Belgische post erkende arts dat aantoont dat het vanwege zijn handicap niet in zijn eigen behoeften kan voorzien
- De ouders of verantwoordelijke naar Belgisch recht van een minderjarige en ongehuwde begunstigde van internationale bescherming of staatloze die met hem samenleven voordat hij 18 jaar is.
2. Familieleden die komen samenleven met erkende vluchtelingen en staatlozen
- Echtgenoot, ouder dan 21j
- Wettelijk geregistreerde partner, ouder dan 21j
- Gemeenschappelijke minderjarige kinderen op voorwaarde dat de ze ongehuwd zijn en met hen samenleven voordat zij 18 jaar zijn
- Minderjarige kinderen van de erkende vluchteling of staatloze/diens partner op voorwaarde dat ze ongehuwd zijn en met hen komen samenleven voordat ze 18 jaar zijn en voor zover de begunstigde van IB/diens partner het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring uitoefent én de kinderen ten laste zijn van de erkende vluchteling of staatloze/diens partner. Bij gedeeld ouderlijk gezag moet de andere houder ervan toestemming geven
- Meerderjarig gehandicapt kind van de erkende vluchteling of staatloze/diens partner op voorwaarde dat het kind een attest voorlegt van een door de Belgische post erkende arts dat aantoont dat het vanwege zijn handicap niet in zijn eigen behoeften kan voorzien
- Ouders van een niet begeleide minderjarige erkende vluchteling/staatloze op voorwaarde dat ze met hem komen samenleven alvorens hij 18j is
3. Familieleden van een derdelander met onbeperkt verblijfsrecht
- Echtgenoot, ouder dan 21j
- Wettelijk geregistreerde partner ouder dan 21j
- Gemeenschappelijke minderjarige kinderen op voorwaarde dat ze ongehuwd zijn en met hen komen samenleven voordat ze 18 jaar zijn.
- Minderjarige kinderenreferentiepersoon/diens partner op voorwaarde dat ze ze ongehuwd zijn en met hen komen samenleven voordat ze 18 jaar zijn voor zover de referentiepersoon het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring uitoefent én de kinderen ten laste zijn van de erkende vluchteling of staatloze/diens partner. Bij gedeeld ouderlijk gezag moet de andere houder ervan toestemming geven
- Meerderjarig gehandicapt kind van de referentiepersoon/diens partner, op voorwaarde dat het kind een attest voorlegt van een door de Belgische post erkende arts dat aantoont dat het vanwege zijn handicap niet in zijn eigen behoeften kan voorzien
4. Familieleden die komen samenleven met begunstigden van subsidiaire en tijdelijke bescherming
- Echtgenoot, ouder dan 21j
- Wettelijk geregistreerde partner, ouder dan 21j (link naar wijziging geregistreerde partners gelijkgesteld met huwelijk en leeftijdsvoorwaarde, wachttermijn)
- Gemeenschappelijke minderjarige kinderen, op voorwaarde dat ze ongehuwd zijn en met hen samenleven voordat ze 18 jaar zijn
- Minderjarige kinderen referentiepersoon/diens partner, op voorwaarde dat ze ongehuwd zijn en met hen komen samenleven voordat ze 18 jaar zijn voor zover de referentiepersoon het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring uitoefent én de kinderen ten laste zijn van de erkende vluchteling of staatloze/diens partner. Bij gedeeld ouderlijk gezag moet de andere houder ervan toestemming geven
- Meerderjarig gehandicapt kind van de referentiepersoon/diens partner, op voorwaarde dat het kind een attest voorlegt van een door de Belgische post erkende arts dat aantoont dat het vanwege zijn handicap niet in zijn eigen behoeften kan voorzien
Enkele bedenkingen: advies RvS, overeenstemming met Unierecht en rechtspraak HvJ en EHRM?
Het voorontwerp roept grote verschillen tussen erkende vluchtelingen en subsidiair beschermden in het leven. Er wordt een bestaansmiddelenvereiste ingevoerd bij gezinshereniging met subsidiair beschermden zonder grace period en met beperkte vrijstellingen van de materiële voorwaarden, ook als de familiale band bestond voor aankomst van de begunstigde van subsidiaire bescherming in België. Ook wordt een wachttermijn ingevoerd voor begunstigde van subsidiaire bescherming en niet voor erkende vluchtelingen.
In de memorie van toelichting wordt gesteld dat subsidiair beschermden expliciet uitgesloten worden van de Gezinsherenigingsrichtlijn en er in de Kwalificatierichtlijn slechts een beperkt recht op verblijf wordt voorzien voor de gezinsleden van de begunstigde die zelf niet in aanmerking komen voor deze bescherming (in zoverre zij niet uitgesloten zijn van internationale bescherming).
Volgens de Raad van State (RvS) is de verantwoording dat het verblijf van subsidiair beschermden van tijdelijke aard is, in tegenstelling tot dat van erkende vluchtelingen, niet aanvaardbaar. Enerzijds is subsidiaire bescherming verlengbaar en kan deze blijven duren, met name in een context van langdurige conflicten, die zo lang kunnen duren als de vervolgingen waarvan de beschermden slachtoffer zijn. Anderzijds is de vluchtelingenstatus zelf niet permanent en zijn er beëindigingsbedingen in het geval dat de omstandigheden wijzigen. De RvS voegt eraan toe dat beide statussen ertoe kunnen leiden dat de begunstigde ervan de status van langdurig ingezetene krijgt. Als er geen andere elementen zijn ter rechtvaardiging van de verschillen tussen erkende vluchtelingen en subsidiair beschermden dan moeten de voorwaarden voor gezinshereniging voor familieleden van beide groepen gelijkgetrokken worden en moet de wachttermijn voor subsidiair beschermden afgeschaft worden. De wetgever kan een maatregel invoeren op basis van een objectief criterium zoals de aard van de verblijfstitel, maar dan nog moet dat criterium relevant zijn ten aanzien van wat de betrokken regelingen daadwerkelijk inhouden, en moet de maatregel evenredig zijn. Dat is hier niet het geval.
De vraag rijst of de wet voldoende aangepast werd om tegemoet te komen aan deze kritiek. De Europese wetgever in het verleden weldegelijk expliciet gesteld dat begunstigden van internationale bescherming een gelijkaardige behoefte aan bescherming hebben. Daarbij spoorde hij de lidstaten aan om hen alle vergelijkbare rechten te verlenen. De Kwalificatierichtlijn bevat inderdaad garanties om de eenheid van het gezin te behouden voor begunstigden van internationale bescherming, maar maakt daarbij geen onderscheid tussen erkende vluchtelingen en subsidiair beschermden. Ook stellen we ons de vraag of het onderscheid dat gemaakt wordt naargelang het tijdstip waarop de gezinsbanden ontstonden gerechtvaardigd kan worden in het licht van de EHRM-rechtspraak die dit onderscheid veroordeeld heeft.
Hieronder gaan we in detail in gaan op de wijzigingen die de wet van 18 juli 2025 met zich meebrengt.
Verstrenging bestaansmiddelenvereiste en behoefteanalyse
Vóór deze wetswijziging gold 120% van het leefloon als het referentiebedrag wanneer een voorwaarde van ‘stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen’ van toepassing was. Een inkomen van dit referentiebedrag volstond.
Het nieuwe referentiebedrag wordt niet meer gebaseerd op het leefloon, maar op het gemiddeld gewaarborgde minimum maandinkomen (GGMMI). Je zal netto over 110% van het GGMMI moeten beschikken als 1 gezinslid een aanvraag tot gezinshereniging doet. Momenteel is dit:
2.408,79 euro netto/maand
Dit wordt verhoogd met 10% per gezinslid ten laste hierover lees je verder meer.
De uitzondering op de bestaansmiddelenvereiste blijft behouden wanneer enkel minderjarige of meerderjarige gehandicapte kinderen de referentiepersoon vervoegen. Ook blijft voor erkende vluchtelingen en staatlozen een grace period bestaan waarin de gezinshereniger vrijgesteld is van deze inkomensvoorwaarde.
In de memorie van toelichting wordt uitgelegd dat dit kadert in een sociaal rechtvaardige en realistische inkomensvereiste. Het leefloon zou geen gepaste maatstaf zijn om te bepalen welk inkomensniveau voldoende is om zelfstandig en waardig een gezin te onderhouden, omdat het bedoeld is als sociaal vangnet en de bestaansmiddelenvereiste net moet zorgen dat men geen gebruik zou moeten maken van dit vangnet. Het gewaarborgd gemiddeld maandelijks minimuminkomen weerspiegelt het laagste inkomen om menswaardig te leven via arbeid. Een inkomen onder dit niveau wordt niet als toereikend beschouwd om zelfstandig in alle noodzakelijke levensbehoeften te voorzien.
Door 110% van het GGMMI als referentiebedrag te hanteren, zou de zelfredzaamheid gegarandeerd moeten worden en zou voorkomen worden dat men bijkomende steun nodig zou hebben van de Belgische openbare overheden. Ook verwijst men (in de context van art. 10 Vw) naar de richtsnoeren van de Europese Commissie i.v.m. de gezinsherenigingsrichtlijn en het arrest Chakroun, waar gesteld wordt dat de nationale minimumlonen als bovengrens van een referentiebedrag beschouwd kan worden, tenzij gekozen wordt om het aantal gezinsleden in aanmerking te nemen.
De wet van 18 juli 2025 schrijft voor dat boven het basisbedrag van 110% van het GGMMI 10% bijgeteld moet worden per gezinslid ten laste in België. Deze regel is van toepassing op de aanvragen gezinshereniging van zowel Belgen als derdelanders. Voordien was deze regel niet van toepassing en had de gezinsgrootte bijgevolg geen impact op het referentiebedrag.
De wetgever benadrukt dat het maar een referentiebedrag. Voor wie niet over dit bedrag kan beschikken, kan een behoefteanalyse gebeuren. De bewijslast hiervoor ligt bij het familielid dat gezinshereniging vraagt.
Als je het referentiebedrag niet kan aantonen, kan je een behoefteanalyse vragen. De bewijslast voor de behoefteanalyse verschuift echter volledig naar de aanvrager. De overheid (DVZ) heeft niet meer de plicht om stukken op te vragen. De aanvrager moet zelf inroepen en aantonen dat het gezin genoeg bestaansmiddelen heeft om niet ten laste te vallen van de openbare overheden. Je kan dat als aanvrager doen met alle bewijsmiddelen, documenten en inlichtingen.
Net zoals bij de overige bepalingen zijn deze nieuwe regels niet meteen op iedereen van toepassing.
Vanuit het doel van het referentiebedrag kunnen er vragen gesteld worden over de hoogte ervan. De bestaansmiddelenvereiste dient om het risico op structurele afhankelijkheid van OCMW-steun (leefloon) te vermijden. OCMW-steun moet een menswaardig bestaan verzekeren.
Het is onduidelijk waarom een nog hoger referentiebedrag beter geschikt is dan het oude referentiebedrag (120% van het leefloon met gezinslast) om te voorkomen dat men ten laste valt van de sociale bijstand. Het lijkt uitgesloten dat iemand die een inkomen heeft dat hoger of gelijk is aan het leefloonbedrag (100% van het leefloon), nog een leefloon zou kunnen krijgen of ten laste van de openbare overheden zou kunnen vallen.
Het nieuwe referentiebedrag is niet meer gebaseerd op het leefloon-bedrag van OCMW-steun, maar wel op het minimumloon. Verder is het niet logisch om het netto referentiebedrag te baseren op niet 100%, maar op 110% van een minimumloon dat een brutobedrag betreft. Er is daarenboven geen maximumbedrag voorzien.
Er zijn ook ernstige neveneffecten: aanvragers zullen te kampen hebben met een zware bewijslast en rechtsonzekerheid. De werklast bij DVZ zal normaal gezien stijgen door een toename van het aantal behoefteanalyses. Met een inkomen beneden het referentiebedrag kan de aanvrager aantonen dat hij gezien de eigen behoeften met minder inkomen ook niet structureel ten laste zal vallen van OCMW-steun, en dan moet DVZ een behoefteanalyse doen.
Volgens de Gezinsherenigingsrichtlijn is het recht op gezinshereniging een subjectief recht dat bevorderd moet worden en waarvan de uitoefening niet belemmerd mag worden door buitensporige voorwaarden. Een referentiebedrag mag niet meer geven dan een indicatie. Vereisen dat men over een hoog inkomen beschikt, druist in tegen het doel en de nuttige werking van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
Om grondwettelijk verantwoord te zijn, moeten maatregelen o.a. proportioneel zijn om een wettelijk doel te bereiken.
De RvS stelde in zijn advies op het voorontwerp van wet dat de bepalingen herzien moesten worden omdat ze dreigen te discrimineren. De RvS zag een gebrek aan samenhang wanneer de bestaansmiddelenvereiste in het bijzonder geldt wanneer een partner de referentiepersoon vervoegt en niet geldt wanneer enkel minderjarige kinderen de referentiepersoon vervoegen. Dit onderscheid is onvoldoende verantwoord in het licht van het gelijkheid en non-discriminatiebeginsel en doet een risico op discriminatie ontstaan tussen soortgelijke categorieën van vreemdelingen die vervoegd worden.
Invoering of verstrenging wachttermijn
De wachttermijn voor gezinshereniging- en gezinsvorming met een derdelander die onbeperkt verblijfsrecht heeft, stijgt naar 2 jaar. Deze wordt teruggebracht tot 1 jaar wanneer de gezinsbanden reeds bestonden voordat de referentiepersoon aankwam in België.
De termijn vervalt helemaal wanneer enkel minderjarige of gehandicapte kinderen gezinshereniging aanvragen.
De referentiepersoon in België moet al minstens 2 jaar gemachtigd of toegelaten zijn tot een verblijf. Zowel periodes van beperkt, als onbeperkt verblijfsrecht komen in aanmerking. Hierdoor zal in de praktijk vaak voldaan zijn aan deze voorwaarde, maar niet wanneer men meteen een onbeperkt verblijf krijgt zoals een F-kaart.
Er wordt eveneens een wachttermijn van 2 jaar ingevoerd voor gezinshereniging met begunstigden van subsidiaire of tijdelijke bescherming, wanneer de aanvraag ingediend wordt obv art. 10bis, §2/1 Vw . Voor tijdelijk beschermden geldt de wachttermijn met andere woorden niet bij aanvragen ingediend obv art. 57/34 Vw en voor subsidiaire beschermden geldt de wachttermijn niet voor 'meereizende' familieleden die een aanvraag indienen obv art. 10, §1, 4° Vw
De termijn vervalt wanneer de referentiepersoon zich enkel laat vervoegen door minderjarige of gehandicapte kinderen. Daarbij geldt tevens de voorwaarde dat de familiebanden reeds bestonden voordat de referentiepersoon aankwam in België.
De wet voert voor gezinshereniging met humanitair geregulariseerden een wachttermijn van 2 jaar in. De termijn vervalt helemaal wanneer enkel minderjarige of gehandicapte kinderen gezinshereniging aanvragen.
Afschaffing vrijstelling materiële voorwaarden voor gezinshereniging met subsidiair beschermden
De vrijstelling van materiële voorwaarden gedurende een ‘grace period’ verdwijnt voor familieleden die komen samenleven met de begunstigde van subsidiaire bescherming. Het oud art. 10, §2, 5de lid Vw voorzag in een dergelijke vrijstelling van 1 jaar na de erkenning van de begunstigde van internationale bescherming. Art. 10bis, §2/1 Vw voorziet deze uitzondering niet.
Gezinsherenigers met subsidiaire bescherming hebben voortaan alleen nog recht op gezinshereniging als zij bestaansmiddelen, huisvesting en ziekteverzekering aantonen (zoals andere verblijfsgerechtigde derdelanders die geen internationale bescherming hebben). Dit geldt voor aanvragen gezinshereniging vanaf 18-8-2025 met een subsidiair beschermde vanaf 18-8-2025, en voor aanvragen gezinshereniging vanaf 18-8-2027 met een subsidiair beschermde van vóór 18-8-2025.
Bovendien moeten zij (behoudens wanneer enkel minderjarige kinderen van de subsidiair beschermden gezinshereniging aanvragen voortaan 2 jaar wachten voor zij hun recht op gezinshereniging kunnen uitoefenen.
Kortere termijn vrijstelling materiële voorwaarden voor gezinshereniging met erkende vluchtelingen of staatlozen
Er blijft een ‘grace period’ behouden, maar slechts voor 6 maanden (vroeger 12 maanden). Dit zal gelden voor aanvragen gezinshereniging vanaf 18-8-2025 met een erkende vluchteling of staatloze vanaf 18-8-2025, en voor aanvragen gezinshereniging vanaf 18-8-2027 met een erkende vluchteling of staatloze vóór 18-8-2025.
In die periode van 6 maanden na de erkenning als vluchteling of na het verkrijgen van een verblijf wegens staatloosheid moet men volgende bewijzen voorleggen:
begin van bewijs van de identiteit van de aanvrager
- begin van bewijs van de bloed- of aanverwantschapsband met de gezinshereniger.
Daarnaast wordt een termijn van 4 maanden toegevoegd.Uiterlijk 10 maanden (6+4 maanden) na de toekenning van de vluchtelingenstatus/verblijf wegens staatloosheid moet het dossier volledig zijn. Bij de beoordeling van deze termijnen moet de DVZ rekening houden met bijzondere omstandigheden dewelke de laattijdige indiening van het verzoek om gezinshereniging objectief verschoonbaar maken. Tegen een weigering van de omstandigheden die tot laattijdige indiening geleid hebben, kan beroep ingesteld worden bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Ook kunnen wanneer het onmogelijk of buitengewoon moeilijk is zich naar de diplomatieke post te begeven alternatieve indieningsmodaliteiten overwogen worden.
De aanvraag wordt als ingediend beschouwd op de datum waarop alle bewijzen overgelegd werden. Vanaf deze datum begint de behandelingstermijn te lopen.
De wetgever wil met een korte grace period nieuwkomers stimuleren om zo snel mogelijk zelfredzaam te worden. De vraag rijst of deze maatregel effectief de zelfredzaamheid zal stimuleren, veel familieleden van begunstigden van internationale bescherming moeten hun aanvragen tot gezinshereniging in heel moeilijke omstandigheden doen.
Plaats van indiening aanvraag gezinshereniging
De aanvraag tot gezinshereniging met een begunstigde van internationale bescherming door een familielid dat komt samenleven met de begunstigde, wordt in principe ingediend vanuit het buitenland, bij de bevoegde Belgische diplomatieke post. Zoals reeds in het verleden het geval was, zijn er uitzonderingen voorzien waarbij een aanvraag vanuit België mogelijk is. Aan deze uitzonderingen wordt beperkt gesleuteld:
De ('meereizende') familieleden die samenleven met de begunstigde van internationale bescherming worden opgenomen in de categorieën die de aanvraag vanuit België kunnen indienen zonder dat ze daarbij buitengewone omstandigheden moeten aantonen.
Optrekken leeftijdsgrens voor partners naar 21 jaar
Voor gezinshereniging met een echtgenoot of wettelijk geregistreerde partner van een Belg of een derdelander zullen beide partners voortaan in principe 21 jaar moeten zijn . Er wordt een uitzondering gemaakt voor partners die samenleven met de begunstigde van internationale bescherming en indien de gezinsband reeds bestond voor de aankomst van de referentiepersoon in België, zij moeten minstens 18 jaar zijn . Deze wijziging geldt niet voor Unieburgers en hun partners.
De wetgever wil hiermee het risico op gedwongen huwelijken inperken. De leeftijdsvoorwaarde garandeert dat de echtgenoten een zekere maturiteit hebben. Men verwijst naar rechtspraak van het Hof van Justitie waarin gesteld wordt dat een voorwaarde die vereist dat echtgenoten de vereiste minimumleeftijd bereikt hebben op het ogenblik van indiening van de aanvraag gezinshereniging het recht op gezinshereniging niet verhindert. Dit ogenblik van indiening als referentiepunt nemen garandeert volgens de wetgever de rechtszekerheid en gelijke behandeling.
Verstrenging huisvestingsvoorwaarde: inwerkingtreding onduidelijk
De voorwaarde van huisvesting wordt hervormd zowel voor gezinshereniging met derdelanders als met Belgen. Deze hervorming treedt pas in later in werking op het moment dat een koninklijk besluit (KB) de maatregel concretiseert. De nieuwe bepaling stelt dat men moet aantonen dat men beschikt over
- ‘behoorlijke huisvesting die als normaal beschouwd wordt voor een vergelijkbaar gezin en
- dewelke voldoet aan de wettelijk geldende criteria inzake veiligheid en hygiëne’
Deze voorwaarde vereist een KB, in ministerraad overlegd. Op dit moment is dit besluit er nog niet. Dit KB zal moeten concretiseren
- waaraan de huisvesting juist moet voldoen en
- op welke manier dit moet bewezen worden.
Bij gebrek aan een nieuw KB dat de aangescherpte wettelijke huisvestingsvoorwaarde uitvoert, blijf het huidige artikel 26.3 Verblijfsbesluit dus van toepassing bij gezinshereniging met derdelanders. Dit artikel bepaalt dat een voldoende huisvesting in de zin van de artikelen 10 en 10bis Vw moet voldoen 'aan de elementaire vereisten van veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid in de zin van artikel 2 van de wet van 20 februari 1991 houdende wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake huishuur'. Men moet een bewijs voorleggen van een geregistreerd huurcontract of een eigendomstitel. Bij gezinshereniging met een Belg werd nooit bij KB bepaald hoe voldoende huisvesting moet bewezen worden. DVZ aanvaardt in dit geval elk bewijsmiddel bijvoorbeeld een huurcontract, plaatsbeschrijving, attest van MyRent, bankattesten met betrekking tot de hypothecaire lening, attest van de betaling van de onroerende voorheffing. Zolang er geen nieuw KB is, blijft ook dit van toepassing.
Het doel van de wetgever was om de regels over voldoende huisvesting te actualiseren. De voorgaande regeling was gedateerd door regionale wetswijzigingen. Verder wilde de wetgever ze meer in overeenstemming brengen met de Gezinsherenigingsrichtlijn. De wetswijziging wil garanderen dat de woning niet duidelijk ongeschikt is en wil onhygiënische situaties of gevaarlijke woonomstandigheden en huisjesmelkerij een halt toe roepen.
Afschaffing onderscheid ‘gewone’ geregistreerde partnerschappen en partnerschappen gelijkgesteld aan het huwelijk bij derdelanders
De nieuwe artikelen 10 en 10bis Vw bevatten geen gelijkstelling meer inzake de voorwaarden voor gezinshereniging tussen de echtgenoten en de partners met partnerschappen gelijkgesteld aan het huwelijk.
Deze laatste categorie, de partners gelijk gesteld aan echtgenoten zullen bijgevolg ook een duurzame en stabiele partnerrelatie moeten aantonen. Een duurzame en stabiele partnerrelatie blijkt uit:
- minstens 1 jaar voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken in België of een ander land samenwonen of
- elkaar ten minste 2 jaar kennen en bewijzen dat je regelmatig met elkaar contact onderhield. Binnen die 2 jaar moet je mekaar minstens driemaal ontmoet hebben en die ontmoetingen moeten in totaal 45 of meer dagen betreffen, of
- een gemeenschappelijk kind hebben
De wetgever stelt dat het onderscheid achterhaald is nu de meeste EU-lidstaten huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht toelaten. Ook werd in art. 58 WIPR de definitie van ‘geregistreerd partnerschap’ aangepast, zodat de vermelding dat dit tussen de samenwonende personen geen band schept evenwaardig aan het huwelijk. Lees hierover ons artikel Wetboek IPR: voortaan geregistreerd partnerschap, niet meer relatie van samenleven.
Deze wijziging zal in de praktijk op een beperkt aantal aanvragers impact hebben. Geregistreerde partnerschappen uit andere landen worden nog zelden gelijkgesteld worden met het huwelijk in België. Gelijkgestelde partners die gezinshereniging aanvragen vanaf 18-8-2025 zullen moeten bewijzen dat ze een duurzame, stabiele relatie hebben.
Overgangsbepalingen en maatregelen die pas later in werking treden
De wet van 18 juli 2025 zal niet voor iedereen die gezinshereniging aanvraagt of een verlenging van een verblijfsrecht op basis van gezinshereniging vanaf 18 augustus 2025 (onmiddellijk) gevolgen hebben (Hoofdstuk 3 ‘overgangsbepalingen’). De datum waarop de referentiepersoon verblijfsrecht kreeg, is voor eerste aanvragen mee bepalend. Er is een overgangsperiode van 2 jaar voorzien en een aparte regeling voor verblijfsverlengingen.
Nieuwe aanvragen gezinshereniging
Familieleden van Belgen
Pas bij aanvragen gezinshereniging ingediend vanaf 18 augustus 2027 moeten zij voldoen aan de nieuwe bestaansmiddelenvereiste, de leeftijdsgrens van 21 jaar, de huisvestingsvoorwaarde en wordt de gelijkstelling van bepaalde geregistreerde partnerschappen met het huwelijk geschrapt.
Familieleden van unieburgers
Pas bij aanvragen gezinshereniging ingediend vanaf 18 augustus 2027 – en voor zover de unieburger-referentiepersoon voor 18 augustus 2025 al een verblijfsrecht had – komt de bewijslast voor de behoefteanalyse volledig bij de aanvrager te liggen. De verplichting voor de DVZ om informatie op te vragen blijft tot dan gelden.
Familieleden van derdelanders
Pas bij aanvragen gezinshereniging met een derdelander waarbij de referentiepersoon-derdelander verblijfsrecht kreeg vanaf 18 augustus 2025 gelden de nieuwe bestaansmiddelenvereiste, leeftijdsgrens voor partners, inkorting/afschaffing van de grace period, wachttermijn, beperking van recht op gezinshereniging met subsidiair beschermden etc.
Voor familieleden van derdelanders waarbij de referentiepersoon-derdelander vóór 18 augustus 2025 al verblijfsrecht kreeg, gelden de oude voorwaarden, zolang de aanvragen gezinshereniging ingediend worden voor 18 augustus 2027. Bovendien rijst voor familie van erkend vluchtelingen, subsidiair beschermden en staatlozen de vraag welke de relevante datum is:
- de datum van de asielaanvraag of aanvraag van een verblijf als staatloze enerzijds, of
- de datum van erkenning als vluchteling, toekenning subsidiaire bescherming, toekenning van verblijf als staatloze anderzijds
Opgelet! Aanvragen gezinshereniging met tijdelijk beschermden zijn vanaf 18 augustus 2025 niet meer mogelijk op basis van artikel 57/34/1 Vw. Alle aanvragen gezinshereniging met tijdelijk beschermden moeten gedaan worden op basis van het artikel 57/34 of art. 10bis, §2/1 Vw. Wanneer dit niet van toepassing is kan men een aanvraag tot humanitair visum of humanitaire regularisatie overwegen of nagaan of statuutswijziging mogelijk is.
Verlengingen van gezinshereniging
Wanneer de gezinshereniging toegestaan is vóór 18-8-2025
De oude regels blijven van toepassing voor alle verlengingen van verblijf op basis van die oorspronkelijke gezinshereniging. Ook als de toekenning van een visum D gezinshereniging gebeurde voor 18 augustus 2025 maar het familielid pas na die datum in België aankomt, gelden de oude regels voor alle volgende verlengingen.
Wanneer de gezinshereniging toegestaan is tussen 18-8-2025 en 18-8-2027
Als de gezinshereniging werd toegestaan op basis van de oude regels, gelden ook dezelfde oude regels voor de verlenging. Maar, vanaf 18 augustus 2027 gelden de nieuwe voorwaarden voor verlengingen bij alle categorieën van gezinshereniging De impact van deze regels zal beperkt zijn voor familieleden van Belgen en Unieburgers, aangezien zij een verblijfskaart krijgen met geldigheid van 5 jaar.
Als de gezinshereniging werd toegestaan op basis van de nieuwe regels, gelden ook dezelfde nieuwe regels voor de verlenging.
DVZ zal op de instructies bij verlengingen in 2026 een boodschap toevoegen over de voorwaarden die van toepassing zullen zijn bij verlengingsaanvragen ingediend vanaf 18 augustus 2027.
Wanneer de gezinshereniging toegestaan is vanaf 18-8-2027
Voor alle verlengingen zullen de nieuwe regels gelden.
Maatregelen die verdere regelgeving behoeven
De nieuwe bepaling over de nieuwkomersverklaring is nog niet van toepassing. Daarvoor is eerst een samenwerkingsakkoord tussen de gemeenschappen (Brussels, Vlaams, Waals) nodig. Dit akkoord bestaat op dit moment niet.
De nieuwe huisvestingsvoorwaarde lijkt niet toepasbaar bij gebrek aan uitvoerend koninklijk besluit. In de praktijk zullen de oude regels toegepast worden.
Ook de manier waarop aanvragen gezinshereniging met een erkend vluchteling of staatloze kan ingediend worden en de manier waarop het bewijs van de voorwaarden moet gebeuren, moet nog verfijnd worden.
Meer info
Wetgeving
- Wet tot wijziging van de Verblijfswet wat de voorwaarden voor gezinshereniging betreft, BS 8 augustus 2025
- Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat de voorwaarden voor gezinshereniging betreft