GwH schorst voorwaarden voor gezinshereniging ingevoerd door wet van 18 juli 2025 voor nareizende familieleden van volwassen persoon met subsidiaire bescherming

In het kort

Het Grondwettelijk Hof (GwH) schorst met een arrest van 26-2-2026 (nr. 24/2026) een aantal bepalingen uit de Verblijfswet die van toepassing waren op de familieleden van subsidiair beschermden die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden (de 'nareizende' familieleden). Door het schorsingsarrest geldt voor deze familieleden van subsidiair beschermden (opnieuw) géén wachttermijn van twee jaar, géén retributie, en géén materiële voorwaarden inzake bestaansmiddelen, huisvesting en ziekteverzekering. Tot slot gelden voor hen ook opnieuw de soepelere bewijsregels inzake de familieband. De schorsing is van toepassing sinds 2-3-2026, en geldt voorlopig tot het arrest over het vernietigingsberoep. Nareizende familieleden van meerderjarige subsidiair beschermden (bescherming sinds 18-08-2025) die zich nog in het buitenland bevinden, kunnen dus nu (voorlopig) een visum gezinshereniging aanvragen als zij aan de resterende voorwaarden voldoen.

Het GwH heeft zich in dit arrest niet uitgesproken over de voorwaarden die gelden voor de familieleden van subsidiaire beschermden (bescherming sinds 18-08-2025) die zich wel al op het Belgisch grondgebied bevinden. Ook de onmogelijkheid voor subsidiair beschermden sinds 18-08-2025 om aan gezinsvorming te doen én de onmogelijkheid voor de ouders van een niet-begeleide minderjarige subsidiair beschermde sinds 18-08-2025 om gezinshereniging aan te vragen, werden niet door het GwH onderzocht.

Strengere regels gezinshereniging

Op 18 augustus 2025 trad de wet van 18 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat de voorwaarden voor gezinshereniging betreft (hierna: wet van 18 juli 2025) in werking. O.a. artikelen 10 en 10bis Vw werden grondig herwerkt: 

  • Oud artikel 10 Vw regelde het recht op gezinshereniging voor de familieleden van derdelanders met een verblijfsrecht van onbepaalde duur, erkende vluchtelingen, subsidiair beschermden, personen met een toelating tot verblijf als staatloze en medisch geregulariseerde vreemdelingen. Deze regels blijven relevant voor de familieleden van wie de referentiepersoon in België een verblijfsrecht kreeg voor 18 augustus 2025.
  • Nieuw artikel 10 Vw regelt alleen het verblijfsrecht van de meereizende familieleden van erkende vluchtelingen, subsidiair beschermden en personen met een toelating tot verblijf als staatloze (artikel 10, §1, 4° Vw), de nareizende familieleden van erkende vluchtelingen en personen met een toelating tot verblijf als staatloze (artikel 10, §1, 5° Vw) en de familieleden van derdelander met onbeperkt verblijfsrecht (artikel 10, §1, 6° Vw). 
  • Het recht op gezinshereniging van de nareizende familieleden van personen met subsidiaire bescherming werd, net zoals het recht van de familieleden van personen met tijdelijke bescherming die zelf niet aan de voorwaarden voor tijdelijke bescherming voldoen, ingeschreven in het nieuw artikel 10bis, §2/1 Vw

Het feit dat het recht op gezinshereniging van de nareizende familieleden van personen met subsidiaire bescherming uit artikel 10 Vw werd gehaald, heeft verregaande gevolgen voor de familieleden van subsidiair beschermden met een verblijf sinds 18 augustus 2025. Enkele van deze nieuwe regels en gevolgen worden nu geschorst.

Onderscheid tussen de nareizende familieleden van erkende vluchtelingen en de nareizende familieleden van subsidiair beschermden

Voor de nareizende familieleden van erkende vluchtelingen en personen met een toelating tot verblijf als staatloze (met een verblijfsrecht sinds 18 augustus 2025) geldt/gelden:

  • Geen wachttermijn
  • Geen retributie
  • Een vrijstelling van de materiële voorwaarden (inkomen, huisvesting en ziekteverzekering) indien de aanvraag gezinshereniging wordt ingediend binnen de zes maanden
  • Soepelere bewijsregels inzake bloed- en aanverwantschap

Voor de nareizende familieleden van een subsidiaire beschermde (met een verblijfsrecht sinds 18 augustus 2025) geldt/gelden:

  • Een wachttermijn van twee jaar
  • Wel retributie
  • Geen vrijstelling van de materiële voorwaarden, en dus:
    • Bewijs van toereikende, stabiele en regelmatige bestaansmiddelen
    • Bewijs van voldoende huisvesting
    • Bewijs van ziekteverzekering
  • Geen soepele bewijsregels qua bloed- en aanverwantschap. Een beslissing tot weigering mag worden gebaseerd op het ontbreken van officiële documenten die bloed- of aanverwantschap aantonen zonder dat rekening moet worden gehouden met andere geldige bewijzen

Het GwH deed uitspraak over de regels die gelden voor deze laatste categorie.

Onderscheid tussen de meereizende familieleden van subsidiair beschermden en de nareizende familieleden van subsidiair beschermden

Voor de meereizende familieleden van een persoon met subsidiaire bescherming (met een verblijfsrecht sinds 18 augustus 2025) geldt/gelden:

  • Geen wachttermijn
  • Geen materiële voorwaarden
  • Geen retributie
  • Soepelere bewijsregels voor het aantonen van de bloed- en aanverwantschap

Voor de nareizende familieleden van een subsidiaire beschermde (met een verblijfsrecht sinds 18 augustus 2025) geldt/gelden:

  • Een wachttermijn van twee jaar
  • Wel retributie
  • Geen vrijstelling van de materiële voorwaarden, en dus:
    • Bewijs van toereikende, stabiele en regelmatige bestaansmiddelen
    • Bewijs van voldoende huisvesting
    • Bewijs van ziekteverzekering
  • Geen soepele bewijsregels qua bloed- en aanverwantschap. Een beslissing tot weigering mag worden gebaseerd op het ontbreken van officiële documenten die bloed- of aanverwantschap aantonen zonder dat rekening moet worden gehouden met andere geldige bewijzen

Het GwH deed uitspraak over de regels die gelden voor deze laatste categorie.

Schending van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel?

Uit bovenstaande opsomming blijkt dat enerzijds de nareizende familieleden van erkende vluchtelingen en anderzijds de meereizende familieleden van subsidiair beschermden aan gunstigere bepalingen inzake gezinshereniging zijn onderworpen dan de nareizende familieleden van subsidiair beschermden. 

In het arrest van 26 februari 2026 onderzocht het GwH of dit verschil in behandeling een schending inhoudt van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel. 

Het GwH onderzocht in de eerste plaats of de aangehaalde categorieën van personen wel voldoende vergelijkbaar zijn. In de Memorie van Toelichting bij de wet van 18 juli 2025 wordt meermaals aangehaald dat de strengere regels gezinshereniging die van toepassing zijn op de nareizende familieleden van subsidiair beschermden gerechtvaardigd zijn omdat de Europese Unie deze materie niet geregeld heeft en dus ruimte laat aan de nationale wetgever om dit recht in te vullen. Immers, het recht op gezinshereniging van de meereizende familieleden van erkende vluchtelingen en subsidiair beschermden vloeit voort uit de Kwalificatierichtlijn. De Gezinsherenigingsrichtlijn regelt enkel het recht op gezinshereniging voor de nareizende familieleden van erkende vluchtelingen. Het recht op gezinshereniging van de nareizende familieleden van personen met subsidiaire bescherming werd bijgevolg dus (nog) niet geharmoniseerd door de EU-wetgever. 

Het GwH benadrukt in zijn arrest dat ‘verschil’ en ‘niet-vergelijkbaarheid’ niet met elkaar mogen worden verward. Hoewel het statuut van erkend vluchteling verschilt van het statuut van subsidiair beschermde – met elk eigen voorwaarden voor erkenning, andere rechten na erkenning en andere beëindigingsgronden – volstaat dit voor het GwH niet om te besluiten tot de niet-vergelijkbaarheid. Ook het verschil tussen de aan- of afwezigheid op het Belgisch grondgebied (meereizend versus nareizend) is voor het GwH niet voldoende om te besluiten tot de niet-vergelijkbaarheid van beide categorieën. In beide gevallen volstaat ook het feit dat de EU-wetgever (nog) geen wetgevend kader heeft uitgewerkt voor de nareizende familieleden van subsidiair beschermden voor het GwH niet om te besluiten tot de niet-vergelijkbaarheid van de verschillende categorieën. Voor het GwH is het duidelijk dat de aangehaalde categorieën voldoende vergelijkbaar zijn wat het recht op gezinshereniging betreft

Vooraleer uitspraak te doen over de vraag of er sprake is van een ongelijke behandeling en schending van het discriminatiebeginsel, stelt het GwH een aantal prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie (HvJ):

  • Ten eerste: schendt de Gezinsherenigingsrichtlijn het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie, al dan niet in samenhang gelezen met het recht op eerbiediging van het gezinsleven en met de rechten van het kind, door de nareizende familieleden van personen met subsidiaire bescherming uit te sluiten uit het toepassingsgebied van de richtlijn en meer in het bijzonder van de gunstigere regels voor gezinshereniging die gelden voor de nareizende familieleden van erkende vluchtelingen? 
  • Indien het HvJ de eerste vraag ontkennend zou beantwoorden, stelt het GwH een bijkomende vraag: verzet het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie, al dan niet in samenhang gelezen met het recht op eerbiediging van het gezinsleven en met de rechten van het kind, zich tegen nationale maatregelen waarbij nareizende familieleden van subsidiair beschermden onderworpen worden aan minder gunstige regels inzake het recht op gezinshereniging dan de nareizende familieleden van erkende vluchtelingen? 
  • Ten tweede: schendt de Kwalificatierichtlijn (vanaf 12 juni 2026: de Kwalificatieverordening) het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie, al dan niet in samenhang gelezen met het recht op eerbiediging van het gezinsleven en met de rechten van het kind, door de nareizende familieleden van personen met subsidiaire bescherming uit te sluiten uit het toepassingsgebied van de richtlijn/verordening waardoor zij niet kunnen genieten van dezelfde waarborgen als de meereizende familieleden van subsidiair beschermden?
  • Indien het HvJ de eerste vraag ontkennend zou beantwoorden, stelt het GwH een bijkomende vraag: verzet het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie, al dan niet in samenhang gelezen met het recht op eerbiediging van het gezinsleven en met de rechten van het kind, zich tegen nationale maatregelen waarbij nareizende familieleden van subsidiair beschermden onderworpen worden aan minder gunstige regels inzake het recht op gezinshereniging dan de meereizende familieleden van subsidiair beschermden? 

Schending van het recht op eerbiediging van het gezinsleven en het hoger belang van het kind?

Naast een eventuele schending van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel ging het GwH na of de nieuwe voorwaarden voor nareizende familieleden van subsidiair beschermden een schending inhouden van het recht op eerbiediging van het gezinsleven en het hoger belang van het kind (met inbegrip van het recht van het kind om beide ouders te kennen en door hen verzorgd te worden).

In zijn arrest overloopt het GwH de voorwaarden voor gezinshereniging die van toepassing zijn op de nareizende familieleden van subsidiaire bescherming (te weten: retributie, wachttijd van 2 jaar, materiële voorwaarden en geen soepelere bewijsregels inzake afstammings- en verwantschapsband) en stelt het zich de vraag of deze voorwaarden wel verenigbaar zijn met het recht op eerbiediging van het gezinsleven en het hoger belang van het kind. 

Verwijzend naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en het HvJ oordeelde het GwH dat het recht op eerbiediging van het gezinsleven geen algemene verplichting inhoudt voor Verdragsstaten om gezinshereniging op hun grondgebied toe te staan. In ieder individueel dossier moet wel een billijk evenwicht worden gezocht tussen het belang van de Staat om immigratie te controleren en het belang van de vreemdeling om een gezinsleven te hebben op het grondgebied van die Staat. Bij de belangenafweging moet rekening worden gehouden met de mate waarin het gezinsleven daadwerkelijk wordt belemmerd, de omvang van de familiebanden en de vraag of er al dan niet onoverkomelijke hindernissen bestaan voor het gezin om in het land van herkomst te wonen. Daarnaast moet elke aanvraag gezinsherenigingindividueel worden behandeld met een concrete beoordeling van de situatie van de aanvrager.

Het GwH stelt zich in het arrest ook de vraag of de mogelijkheid tot individuele beoordeling en het uitvoeren van een belangenafweging voldoende wordt verzekerd door het feit dat eenieder te allen tijde een humanitair visum (artikel 9 Vw) dan wel humanitaire regularisatie (artikel 9bis Vw) kan aanvragen. Artikelen 9 en 9bis Vw voorzien niet in een recht op gezinshereniging maar verlenen de minister een discretionaire bevoegdheid om een vreemdeling te machtigen tot verblijf, zonder daarbij gebonden te zijn door wettelijk bepaalde voorwaarden of een wettelijk bepaalde behandelingstermijn. 

Ook hierover stelt het GwH een prejudiciële vraag aan het HvJ:

  • Verzet het recht op eerbiediging van het gezinsleven en de rechten van het kind zich tegen nationale maatregelen waarbij nareizende familieleden van subsidiair beschermden onderworpen worden aan specifieke voorwaarden en waarbij voor de mogelijkheid tot individuele beoordeling en het uitvoeren van een belangenafweging wordt verwezen naar de mogelijkheid om een humanitair visum aan te vragen of humanitaire regularisatie in te dienen, die aan de minister een discretionaire bevoegdheid verlenen?

Een moeilijk te herstellen ernstig nadeel?

Om tot schorsing over te gaan van de voorwaarden opgelegd aan de nareizende familieleden van subsidiaire beschermden moet het GwH ook van oordeel zijn dat er een ‘moeilijk te herstellen ernstig nadeel’ is. Verwijzend naar het feit dat de achtergebleven familieleden zich bevinden in een land dat zich in een ernstige humanitaire crisis bevindt waar hereniging onmogelijk is en dat een humanitair visum onvoldoende garanties biedt, oordeelt het GwH dat voldaan is aan de voorwaarden voor de schorsing. 

Wat betekent dit voor de praktijk?

Het schorsingsarrest van het GwH heeft tot gevolg dat voor nareizende familieleden van subsidiair beschermden met een verblijfsrecht sinds 18 augustus 2025 die zich nog buiten België bevinden, (opnieuw) géén wachttermijn van twee jaar geldt en dat ze (opnieuw) vrijgesteld zijn van de betaling van een retributie. Daarnaast zijn ze (opnieuw) niet onderworpen aan de materiële voorwaarden (lees: toereikende, stabiele en regelmatige bestaansmiddelen, voldoende huisvesting en een ziekteverzekering). Ook de soepelere bewijsregels inzake bloed- en aanverwantschap zijn opnieuw op hen van toepassing. Een aanvraag gezinshereniging mag dus (opnieuw) niet uitsluitend geweigerd worden omdat geen officiële documenten voorliggen. De Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) moet (opnieuw) rekening houden met andere geldige bewijzen.

De uitspraak van het GwH heeft als ongewild gevolg dat nareizende familieleden van erkende vluchtelingen die erkend werden op of na 18 augustus 2025 nu onderworpen zijn aan strengere voorwaarden wat de materiële voorwaarden betreft. Immers, huidig artikel 10, §2, lid 4 Vw voorziet maar in een voorwaardenvrije periode van zes maanden terwijl nareizende familieleden van subsidiair beschermden door het arrest van het GwH (voorlopig) gedurende onbepaalde tijd (in afwachting van de antwoorden van het HvJ en het arrest van het GwH waarbij uitspraak wordt gedaan over de vernietigingsberoepen) vrijgesteld zijn van het bewijs dat ze aan de materiële voorwaarden voldoen. Hier schuilt o.i. mogelijks een nieuwe ongelijke behandeling, ditmaal ten aanzien van de nareizende familieleden van erkende vluchtelingen en personen met een verblijf als staatloze. DVZ communiceerde begin april 2026 dat de vrijstelling van de materiële voorwaarden enkel geldt voor zover de aanvraag gezinshereniging wordt ingediend binnen de twaalf maanden na de beslissing tot toekenning van subsidiaire bescherming. Hieruit leiden we af dat DVZ oud art. 10, §2, lid 5 Vw. opnieuw toepast. Er is echter geen juridische grond die toelaat oud art. 10, §2 Vw. te laten 'herleven' aangezien het GwH zich niet heeft uitgesproken over art. 5 wet van 18 juli 2025 dat een nieuw art. 10 Vw. invoert.