Bestaansmiddelenvoorwaarde bij gezinshereniging: ontwikkelingen in rechtspraak

In het kort

Voor gezinshereniging stelt de Verblijfswet vaak als voorwaarde dat de persoon die zich laat vervoegen beschikt over “stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen”. Hieronder bespreken we de praktijk van DVZ over deze voorwaarden, en ook de rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV), de Raad van State (RvS), het Grondwettelijk Hof (GwH) en het Hof van Justitie (HvJ).

Begrip bestaansmiddelen en behoefteanalyse

Het begrip 'sociale bijstand' in de zin van de Europese regelgeving (Richtlijn 2004/38 voor Unieburgers en Richtlijn 2003/86 voor derdelanders) komt in België overeen met de tarieven van het (equivalent) leefloon. Personen met een vast inkomen boven het leefloontarief kunnen dus niet ten laste vallen van de Belgische sociale bijstand in de zin van de richtlijnen.

Toch bepaalt de Belgische Verblijfswet sinds 2011 dat de bestaansmiddelen minstens gelijk moeten zijn aan 120% van het leefloon tarief ‘persoon met een gezin ten laste’, of sinds 18-8-2025 voor personen op wie de nieuwe regelgeving van toepassing is, 110% van het Gemiddeld gewaarborgd maandelijks minimuminkomen (GMMI), aangevuld met 10% per persoon ten laste. Dat is slechts een referentiebedrag:

  • Stabiele en regelmatige inkomsten boven dat bedrag zijn zeker voldoende. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat zodra het inkomen gelijk is aan of hoger is dan het wettelijke referentiebedrag, DVZ geen verder onderzoek mag doen naar de hoogte van het bedrag van de bestaansmiddelen (Grondwettelijk Hof 26 september 2013, nr. 121/2013).
  • Onder dat bedrag mag DVZ de aanvraag gezinshereniging niet automatisch weigeren (artikel 12bis, §2, vierde lid Vw en HvJ 4 maart 2010, Chakroun, nr. C-578/08). DVZ moet dan eerst een individuele behoefteanalyse maken om te bepalen welke bestaansmiddelen nodig zijn om in de behoeften van het gezin te voorzien, zonder ten laste te vallen van de sociale bijstand. Normaal gezien zouden stabiele en regelmatige inkomsten boven de Belgische bijstandsnorm dus moeten volstaan. Toch voorziet de Belgische Verblijfswet dat DVZ een individuele behoefteanalyse moet uitvoeren bij elk inkomen dat lager is dan het referentiebedrag. Voor het onderzoek van de individuele behoefteanalyse maken de aanvragers zelf alle nuttige informatie en bewijzen over hun financiële situatie over aan DVZ op het moment van de aanvraag gezinshereniging.
  • Ook moeten lidstaten de inkomenseis steeds toepassen in het licht van artikel 7 (recht op gezinsleven) en 24 (hoger belang van het kind) van het Handvest van de Grondrechten van de EU (HvJ 4 maart 2010, Chakroun, nr. C-578/08; HvJ 6 december 2012, O. en S., C-356/11 en C-357/11).

Bewijs van Inkomen

Er moet een minimum bewijs zijn van stabiele en regelmatige middelen. Zoniet, dan is ook een behoeftenanalyse niet mogelijk (zie infra).

Ook de herkomst van de middelen moet aangetoond worden: bankafschriften moeten gepaard gaan met documenten die de herkomst van de bedragen aantonen. Huurinkomsten moeten duidelijk toekomen aan de referentiepersoon, anders moet DVZ er geen rekening mee houden. Zonder dit bewijs kan geen behoefteanalyse gebeuren.

Ook als het bewijs niet actueel is, is het inkomen niet bekend en is een behoefteanalyse niet nodig.

Er is ook geen behoefteanalyse nodig als er wel een zeker inkomen is aangetoond, maar dat inkomen niet regelmatig is: “Verweerder besluit dat de bestaansmiddelen verkregen uit arbeid hoogst onstabiel en onregelmatig zijn. (…) zodat een behoefteanalyse zoals voorzien in artikel 42, §1, tweede lid van de Vreemdelingenwet niet aan de orde is”.

Regelmatigheid slaat op de mogelijkheid om te bepalen dat het aannemelijk is dat eenzelfde inkomen ook in de toekomst voorhanden zal zijn (Hof van Justitie, arrest Khachab van 21 april 2016, of X., van 3 oktober 2019).

Een periode van werk met tijdelijke contracten is op zich onvoldoende als bewijs van regelmaat, waardoor een behoefteanalyse niet mogelijk is. Hetzelfde geldt voor freelance opdrachten. De reden is dat een tijdelijk contract op zich, dat afgelopen is zonder informatie over inkomen nadien, DVZ niet toelaat vast te stellen wat het inkomen is

Een tijdelijk contract met bijkomende elementen die wijzen op duurzame of regelmatige inkomsten kan wel volstaan. Een periode van werk van ongeveer 2 jaar met tijdelijke contracten kan bijvoorbeeld gelden als een bewijs van voldoende regelmaat: “Wanneer uit de voorgelegde stukken blijkt dat de referentiepersoon door middel van een tewerkstelling in een bepaald inkomen kon voorzien gedurende een langere tijd, ongeacht of het tijdelijke contracten betreffen, dan kan worden aangenomen dat de referentiepersoon schijnbaar de vereiste kennis of vaardigheden bezit om na het beëindigen van een bepaald contract een nieuw contract te kunnen afsluiten, quod in casu. Uit een opeenvolging van contracten blijkt ook de arbeidswil en inzet van de referentiepersoon”.

Een huurovereenkomst kan een bewijs van regelmatig inkomen zijn en huurinkomsten mogen niet geweigerd worden om de reden dat er ook nog een lening loopt. De huurinkomsten moeten wel duidelijk aan toekomen aan de referentiepersoon (zie supra).

Een som op de rekening is volgens DVZ onvoldoende bewijs van de regelmatigheid van het inkomen, maar er is rechtspraak waarbij een grote som die in de toekomst nog beschikbaar is, wel degelijk een bewijs kan zijn van regelmatig inkomen.

Voor het inkomen van een zelfstandige zijn verschillende documenten vereist, zowel inzake fiscaliteit als inzake sociale bijdragen.

Loonfiches die zelfstandige zaakvoerders aan zichzelf bezorgen zijn op zich geen voldoende bewijs, omdat het geen officiële documenten zijn. Er moet wel rekening gehouden worden met het inkomen dat aangegeven is aan de fiscus via bewijs van aangifte van het sociaal secretariaat. Als DVZ stelt dat deze loonfiches niet in aanmerking genomen worden omdat ze mogelijk niet aangegeven zijn aan de fiscus, is het redelijk dat DVZ eerst bijkomende bewijzen opvraagt vooraleer te weigeren.

Bijdragen van een derde aan het inkomen

Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) interpreteert de voorwaarde dat de referentiepersoon moet beschikken over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen zo dat de bestaansmiddelen in principe afkomstig moeten zijn van de referentiepersoon zelf. De referentiepersoon is de Belg of derdelander die een familielid wil laten overkomen of inschrijven.

Bij Unieburgers of gezinnen die gebruik maken van het vrij verkeer geldt dat niet: daar mag het gezinsinkomen samengeteld worden. Gezinsleden van inactieve Unieburgers hebben een recht op verblijf op voorwaarde dat de Unieburger over voldoende middelen beschikt, maar daarbij mag het ook gaan om middelen die deels worden ingebracht door, bijvoorbeeld, een echtgenoot, die derdelander is.

De website van DVZ meldt enkel dat er rekening gehouden wordt met het inkomen van het gezin als het gaat om een derdelander met een statuut van langdurig ingezetene of met een Europese Blauwe kaart, die met hun gezin uit een andere lidstaat naar België komen (https://dofi.ibz.be/nl/stabiele-regelmatige-en-toereikende-bestaansmiddelen).

Het feit dat het inkomen van andere inwonende gezinsleden niet meegeteld zou mogen worden voor het bepalen of iemand voldoende bestaansmiddelen heeft, is in de rechtspraak zeer vaak aangevochten, en werd door verschillende rechters vaak heel verschillend beoordeeld.

Op basis van rechtspraak van het Europese Hof van Justitie werd bepaald bij gezinshereniging met een derdelander (op grond van artikel 10 Vw) de bestaansmiddelen van gezinsleden mee in rekening moeten worden gebracht.

Het Grondwettelijk Hof besliste op 2 april 2026 bij arrest nr. 38/2026, dat ook bij gezinshereniging met een Belg (op grond van artikel 40ter Vw) de bestaansmiddelen van gezinsleden mee in rekening moeten worden gebracht, omdat er anders een onterechte discriminatie zou bestaan tussen derdelanders en Belgen.

Voor gezinshereniging met een derdelander berust het principe, dat het inkomen van een derde mag worden meegerekend, op de toepassing van artikel 7.1.c. van de Richtlijn 2003/86. Hiervoor is de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie dus belangrijk, die zich in volgende arresten uitsprak over die bepaling:

  • Omdat gezinshereniging de algemene regel is, moet de bevoegdheid in artikel 7, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/86 strikt moet worden uitgelegd. De lidstaten mogen hun handelingsvrijheid dus niet zo gebruiken dat afbreuk wordt gedaan aan het doel van de richtlijn en aan het nuttig effect daarvan.
  • Maatregelen moeten “geschikt zijn om de door die regeling nagestreefde doelen te verwezenlijken en niet verder mogen gaan dan ter bereiking daarvan noodzakelijk is.
  • De overheid mag op basis van een periode voorafgaand aan de aanvraag (bijvoorbeeld zes maanden) inschatten of er voldoende bewijs is dat iemand nog minstens een jaar lang over voldoende inkomsten zal beschikken.
  • Er mag geen automatische weigering volgen als iemand een inkomen bewijst van 1 322,73 EUR netto per maand inclusief vakantiegeld, terwijl het minimumbedrag 1 441,44 EUR is.
  • Een lidstaat mag in het kader van de Richtlijn 2003/86 geen onderscheid invoeren tussen gezinsvorming en gezinshereniging. “Gezien dit door de Uniewetgever gewilde ontbreken van een onderscheid naargelang van het tijdstip waarop een gezin wordt gevormd, en de noodzaak, de richtlijn niet restrictief uit te leggen en ze haar nuttig effect niet te doen verliezen, beschikten de lidstaten niet over een beoordelingsmarge om dit onderscheid weer in te voeren in hun nationale wettelijke regeling tot omzetting van de richtlijn (zie naar analogie arrest van 25 juli 2008, Metock e.a., C‑127/08, Jurispr. blz. I‑6241, punt 93).”
  • Eén keer kwam de bepaling ook incidenteel aan bod in een arrest over een ander artikel, waarbij verduidelijkt werd dat de herkomst van de bestaansmiddelen geen criterium mag zijn voor een weigering. Het ging in deze zaak om een bewijs van bestaansmiddelen via een verbintenis tot tenlasteneming door de broer van betrokkene. Het Hof oordeelde dat “uit artikel 7, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/86 voort(vloeit) dat niet de herkomst van de inkomsten beslissend is, maar de stabiliteit en de toereikendheid ervan, rekening houdend met de individuele situatie van de betrokkene.”

Het laatste arrest wordt vaak ingeroepen als argument voor de stelling dat bij gezinshereniging met een derdelander ook het inkomen van inwonende gezinsleden of van derden mee in rekening gebracht moeten worden. Dat verdient wel een kleine nuance. In het arrest van het Hof van Justitie nr. C-302/18, met de melding dat de herkomst van de inkomsten niet beslissend is, wordt niet gezegd dat inkomen van een derde automatisch meegeteld zou moeten worden. Het inkomen dat de referentiepersoon haalt uit bijdragen van een derde moet evenwel vast, regelmatig en voldoende zijn, en daarvoor kan gekeken worden naar het juridisch bindend karakter van van de verbintenis van de derde, de familieband, de aard en de bestendigheid van de inkomsten (X t/België C-302/18 van 3 oktober 2019, punt 43). De aanwezigheid van een familieband of het voorleggen van een verbintenis tot tenlasteneming volstaat niet als bewijs dat de referentiepersoon over (een deel van) de middelen kan beschikken. De advocaat-generaal stelde zelf dat dergelijke verbintenissen “onvoldoende nauwkeurig en concreet zijn en dat de verbintenis geen bestendige, juridisch bindende effecten” (Conclusie C-302/18, punt 78).

Er is op dit punt een verschil tussen het toekennen van het verblijf (artikel 7 van de Richtlijn 2003/86) en het verlengen van het verblijf (artikel 16 van de Richtlijn 2003/86). Bij verlenging van het verblijf moet het volledige gezinsinkomen samengenomen worden. Dit wordt bevestigd in het arrest van de Raad van State nr.  230.955 van 23 april 2015, met verwijzing naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 121/2013, B.21.4: “met inachtneming van de door de wetgever beoogde doelstelling, namelijk dat de herenigde personen niet ten laste komen van het stelsel voor sociale bijstand van België en rekening houdend met artikel 16 van de richtlijn 2003/86/EG, dient de bestreden bepaling in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij niet verbiedt dat de bevoegde overheid bij de verlenging van de verblijfstitel van de betrokken vreemdeling niet alleen rekening houdt met de inkomsten van de gezinshereniger maar ook met die van zijn gezinsleden, voor zover het niet om sociale bijstand gaat”.

Behoefteanalyse bij te laag inkomen

Vooraleer DVZ moet overgaan tot een behoeftenanalyse, moeten enkele belangrijke voorwaarden vervuld zijn:

  • Er moet sprake zijn van bestaansmiddelen die lager zijn dan het aangehaalde referentiebedrag, alvorens de overheid tot een behoefteanalyse moet overgaan.
  • Het moet duidelijk zijn wat de hoogte is van het inkomen, anders is een behoefteanalyse niet mogelijk.
  • Als een werkloosheidsuitkering voorgelegd wordt, moeten ook de bewijzen van het zoeken naar werk toegevoegd worden, anders is er geen inkomen op basis waarvan een behoefteanalyse kan gebeuren.
  • Dat geldt ook als er maar een deel van het inkomen in aanmerking kan komen. Als er duidelijkheid is over een deel van het voorgelegde inkomen (in casu een zekerheid over uitkeringen van de HZIV van gemiddeld 1587 euro per maand), kan DVZ niet afzien van een behoefteanalyse, louter omdat een ander deel van de uitkering onzeker is.

Als er middelen aangetoond zijn, en niet voldoende, dan is DVZ verplicht om op basis van de voorgelegde stukken een behoefteanalyse te doen. Uit de beslissing moet blijken dat de DVZ een individuele behoefteanalyse heeft uitgevoerd en op basis van welke analyse en elementen de DVZ tot de conclusie komt dat de bestaansmiddelen van de gezinshereniger niet voldoende zijn om te voorzien in de behoeften van het gezin. Vaste RvV en RvS-rechtspraak veroordeelt beslissingen van DVZ waaruit niet blijkt dat de DVZ een individuele behoefteanalyse heeft uitgevoerd of op basis van welke analyse en elementen de DVZ tot de conclusie komt dat de bestaansmiddelen van de gezinshereniger niet voldoende zijn om te voorzien in de behoeften van het gezin. 

Een behoeftenanalyse moet niet opnieuw een ander minimuminkomen vaststellen, maar vaststellen “wat de behoeftes zijn en of de inkomsten van de referentiepersoon in alle behoeften kunnen voorzien, zonder dat deze personen ten laste komen van de Belgische Staat”. Bij de individuele behoefteanalyseverwees DVZ soms naar de zogenaamde 'armoederisicogrens'. Dit zijn algemene, statistische gegevens over het armoederisico in België. Deze gegevens worden jaarlijks uitgegeven door de Algemene Directie Statistiek van de FOD Economie.De armoederisicogrens is vaak nog hoger dan het wettelijk referentiebedrag. In 2025 is dit voor 2 volwassenen bepaald op € 2174,75 per maand. De RvV oordeelde dat het toetsen van de bestaansmiddelen aan een bedrag dat nóg hoger is dan het referentiebedrag in strijd is met de Verblijfswet. Dit werd ook in eerdere arresten al bevestigd, en de Raad verwijst daarbij ook naar de interpretatie door het Grondwettelijk Hof.

De behoefteanalyse strekt er niet toe om uitgesloten inkomsten opnieuw mee te tellen. “De behoefteanalyse strekt er niet toe om bestaansmiddelen die niet in aanmerking komen bij de beoordeling van de voorwaarde van de toereikende, stabiele en regelmatige bestaansmiddelen overeenkomstig artikel 40ter, § 2, tweede lid, 1° van de Vreemdelingenwet, zoals te dezen inkomsten van de aanvrager zelf, alsnog in aanmerking te nemen”.

Bij de berekening van het inkomen mag geen rekening gehouden worden met inkomen uit sociale bijstand, maar bij de behoefteanalyse moet wel rekening gehouden worden met (bijkomende) sociale voordelen. Het Hof van Justitie stelde in het arrest Chakroun expliciet dat je daarbij beroep mag doen op voordelen van bijstand, bijvoorbeeld “om te voorzien in bijzondere, individueel bepaalde noodzakelijke kosten van het bestaan, op inkomensafhankelijke kwijtscheldingen van heffingen van lagere overheden of op inkomensondersteunende maatregelen in het kader van het gemeentelijk minimabeleid. Er moet dus wel rekening gehouden worden met vermindering van kosten van openbaar vervoer, kinderopvang, en ook met een vermindering van belastingen op basis van het aantal personen ten laste.

Bijdragen van een derde bij de behoefteanalyse

Omdat er geen rekening gehouden wordt met bijdragen van een derde bij het bepalen van de hoogte van het inkomen, houdt de Dienst Vreemdelingenzaken ook geen rekening met het inkomen van een inwonend gezinslid bij de behoefteanalyse.

Nochtans kan een inwonende ouder een deel van de huurlasten op zich nemen, of kan ook het gezinslid dat bij de referentiepersoon komt wonen bijvoorbeeld kosten van nutsvoorzieningen betalen.

Op 2 april 2026 stelde het Grondwettelijk Hof vast dat daardoor gezinsleden van Belgen op een andere manier worden behandeld dan gezinsleden van derdelanders, en dat dit onderscheid is niet redelijk te verantwoorden is. De bestaansmiddelen van een gezinslid van een Belg zijn immers helemaal niet minder stabiel dan de bestaansmiddelen van familieleden van derdelanders, die zich vaak nog in het buitenland bevinden (GwH 38/2026, B.15).

De prejudiciële vraag betrof met name de behoefteanalyse (artikel 42, §1, 2e lid Verblijfswet). Het Hof zelf stelde in het antwoord op deze vraag evenwel dat inkomsten van een derde die inwoont bij een Belgische referentiepersoon als zodanig meegeteld moeten worden, net zoals bij een referentiepersoon die onderdaan is van een derde land. Zowel bij het berekenen van het inkomen, als bij het uitvoeren van de behoefteanalyse rekening houden met de stabiele bestaansmiddelen van de familieleden die zich bij de gezinshereniger voegen” (GwH 38/2026, B.17.).

Zorgvuldigheidsbeginsel bij de behoefteanalyse

Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat aan de overheid de verplichting wordt opgelegd haar beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding.

DVZ schendt bijvoorbeeld de zorgvuldigheidsplicht wanneer ze in de motivering aanneemt, op hypothetische wijze, “dat de referentiepersoon, gelet op de 66% invaliditeit, extra medische kosten heeft". Bij dergelijke twijfel moet DVZ zelf de ontbrekende informatie opvragen.

De analyse moet correct zijn, DVZ mag vaste kosten niet twee keer aanrekenen:  “Verweerder motiveerde immers dat het inkomen van verzoekers echtgenoot, na aftrek van de vaste kosten, 946,48 euro bedraagt en dit bedrag niet volstaat “om alle vaste en variabele kosten te kunnen betalen”. Het getuigt niet van een zorgvuldig optreden om vaste kosten tweemaal aan te rekenen.

DVZ moet een beoordeling doen van de bestaansmiddelen als een digitaal document wordt ingestuurd van een bevoegde overheid, ook al is dat niet ondertekend.

DVZ moet recentere bewijzen zelf opvragen als die ontbreken vanwege de lange duur van de procedure: als de aanvraag "door de trage werking of de overbelasting van een bestuur niet dadelijk kon worden behandeld en het vereist wordt geacht dat meer recente stukken worden neergelegd, (moet DVZ) zelf een initiatief nemen en om bewijsstukken van meer recente datum te verzoeken".

Dit is niet het geval wanneer het tevoren al duidelijk is dat actualisatie nodig zal zijn, bvb als iemand vlak na indienen van de aanvraag 18 wordt, en bewezen moet worden dat die ten laste is.

Ook als bij het indienen de stukken al niet meer actueel zijn, is het niet aan DVZ om bijkomende toelichting te vragen. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt niet in dat het bestuur er steeds toe gehouden is bijkomende stukken aan de betrokkene te vragen wanneer blijkt dat de door hem ingediende stukken niet meer actueel zijn.

De zorgvuldigheidsplicht rust ook op de burger: “de zorgvuldigheidsverplichting die op de overheid rust, in het kader van een wederkerig bestuursrecht, rust immers evenzeer op de rechtsonderhorige”. Als bij een vorige weigering al gesteld werd dat de begunstigde van de huur niet de referent blijkt te zijn, moet verzoeker bij een volgende aanvraag op dat argument antwoorden.

DVZ is niet verplicht om informatie op te vragen bij andere bevoegde overheden (bijvoorbeeld met betrekking tot het inkomen van een zelfstandige) en DVZ moet betrokkene ook niet horen als een document onvoldoende duidelijk is. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt niet in dat het bestuur er steeds toe gehouden is bijkomende stukken aan de betrokkene te vragen wanneer blijkt dat de door hem ingediende stukken niet volstaan.

Er is geen hoorrecht in deze gevallen, omdat het gaat om een antwoord op een aanvraag, en niet om een beslissing waarbij een verblijf wordt beëindigd om reden van het gedrag van betrokkene.

Tewerkstelling op basis van artikel 60 OCMW-wet of tijdelijke tewerkstellingen

Praktijk DVZ

Bestaansmiddelen verworven uit een tewerkstelling op basis van artikel 60 OCMW-wet kunnen volgens DVZ niet aanvaard worden als "stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen". Aanvankelijk vond DVZ dat inkomsten uit een artikel 60-tewerkstelling op zich geen (door de Verblijfswet) uitgesloten bestaansmiddelen waren en dus in aanmerking kwamen als bewijs van bestaansmiddelen. Toch aanvaardde DVZ die inkomsten niet als bewijs van stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen omdat een artikel 60-tewerkstelling per definitie tijdelijk is, en dus niet stabiel. Een artikel 60-tewerkstelling kan volgens artikel 60 § 7, 1° en 2° lid OCMW-wet immers nooit langer duren dan de periode die nodig is om een werkloosheidsuitkering te kunnen genieten. Ingevolge de rechtspraak van de RvV en RvS weigert DVZ deze bestaansmiddelen nu omdat het een vorm is van maatschappelijke dienstverlening, gefinancierd als aanvullend bijstandstelsel.

Rechtspraak RvV en RvS

Deze zienswijze werd in de meeste gevallen gevolgd door de RvV. Enerzijds beschouwde de RvV deze tewerkstelling als een vorm van maatschappelijke dienstverlening. Anderzijds vond de RvV, net als DVZ, dergelijke inkomsten niet stabiel omdat het per definitie gaat om een tijdelijke tewerkstelling. De mogelijkheid dat de gezinshereniger actief werk zoekt op het moment dat hij gerechtigd zal zijn tot een werkloosheidsuitkering, was volgens de RvV te hypothetisch. Net zoals de mogelijkheid dat de gezinshereniger, na afloop van de artikel 60-tewerkstelling, een andere job vindt. De Raad van State bevestigt dit standpunt in verschillende ontoelaatbaarheidsbeschikkingen (RvS nr. 12.234 (c) van 13 december 2016 ; RvS nr. 12.106 (c) van 24 augustus 2016; RvS nr. 10.481 (c) van 9 mei 2014; RvS nr. 10.071 (c) van 19 november 2013; RvS nr. 9224 (c) van 20 november 2012).

In een aantal (Nederlandstalige) arresten lijkt de RvV terug te komen op dit standpunt. De RvV baseert zich daarvoor op de volgende argumenten:

  • Uit de Verblijfswet kan niet afgeleid worden met welk soort arbeidsovereenkomst een vreemdeling de bestaansmiddelen moet bewijzen. De Verblijfswet zegt alleen dat de bestaansmiddelen "stabiel, toereikend en regelmatig" moeten zijn. De begrippen “stabiel”, “toereikend” en “regelmatig” sluiten niet uit dat bestaansmiddelen die afkomstig zijn uit een tijdelijke tewerkstelling wel degelijk stabiel en regelmatig kunnen zijn. DVZ lijkt de tijdelijke aard van de tewerkstelling te verwarren met de tijdelijke aard van de inkomsten.
  • Hoewel het niet kennelijk onredelijk is om op basis van een recente tewerkstelling waarvan enkel inkomsten van iets meer dan een maand voorliggen, te stellen dat de bestaansmiddelen noch stabiel, noch regelmatig zijn, komt het kennelijk onredelijk voor om abstractie te maken van de vorige bronnen van inkomsten bij het bepalen of inkomsten stabiel en regelmatig zijn, om de eenvoudige reden dat de bestaansreden van de vorige inkomsten, zijnde tewerkstelling of arbeidsongeschiktheid, beëindigd is. Er wordt immers aangetoond dat de referentiepersoon over een langere periode een inkomen had en heeft. Artikel 40ter Verblijfswet bepaalt niet dat DVZ moet onderzoeken of de gezinshereniger een stabiele tewerkstelling bij eenzelfde werkgever of een stabiele bron van inkomsten heeft, doch wel of deze over stabiele inkomsten beschikt en in casu kan niet voorbijgegaan worden aan het feit dat de gezinshereniger aangetoond heeft er via interimarbeid, (aanvullende) werkloosheidsuitkeringen en een arbeidsongeschiktheidsuitkering, in te slagen op een standvastige wijze een inkomen te verwerven.
  • Volgens de Verblijfswet moet de gezinshereniger “aantonen” dat hij over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen “beschikt”. De gezinshereniger moet dus niet aantonen dat hij over deze bestaansmiddelen 'zal' beschikken op lange termijn. Een tijdelijke tewerkstelling sluit niet uit dat de bestaansmiddelen die daaruit voortvloeien nu stabiel en regelmatig kunnen zijn.
  • Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal de gezinshereniger bestaansmiddelen genieten uit een werkloosheidsuitkering die a priori niet uitgesloten is als stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen. Bovendien valt de gezinshereniger mogelijk niet terug op een werkloosheidsuitkering, maar vindt hij ander werk.
  • Uit de Verblijfswet volgt niet dat een vreemdeling die werkt op basis van artikel 60 OCMW-wet moet aantonen dat hij of zij actief naar werk zoekt. Deze voorwaarde geldt pas als de vreemdeling effectief werkloos is.
  • In de mate dat met een artikel 60-tewerkstelling niet gegarandeerd is dat het familielid in de nabije toekomst ten laste zou vallen van de sociale bijstand, kan DVZ het verblijfsrecht van het familielid steeds beëindigen als het een onredelijke belasting zou vormen voor de sociale bijstand.
  • In zijn Mededeling van 3 april 2014 spoort de Europese Commissie de lidstaten aan "om rekening te houden met de situatie op de arbeidsmarkt, aangezien permanente arbeidscontracten wellicht steeds minder gebruikelijk worden, zeker aan het begin van een arbeidsrelatie. Als een indiener bewijs van een ander type arbeidscontract verstrekt, bijvoorbeeld een tijdelijk contract dat kan worden verlengd, worden de lidstaten aangespoord het verzoek niet automatisch vanwege de aard van het contract af te wijzen. In dergelijke gevallen is een beoordeling van alle relevante omstandigheden van een specifiek geval noodzakelijk."
  • Een aaneenschakeling van tijdelijke tewerkstellingen sluit niet uit dat de bestaansmiddelen van de gezinshereniger stabiel en regelmatig zijn.

DVZ paste zijn beleid niet aan en aanvaardt nog steeds geen bestaansmiddelen die voortkomen uit een artikel 60 OCMW-wet tewerkstelling. In een (Nederlandstalig) cassatie-arrest stelt de Raad van State dat een art. 60-tewerkstelling wel degelijk een vorm is van maatschappelijke dienstverlening die gefinancierd wordt als een aanvullend bijstandsstelsel. Middelen uit de aanvullende bijstand mogen volgens artikel 10 § 5 Verblijfswet niet in aanmerking genomen worden bij het beoordelen van de bestaansmiddelen. Om die reden vernietigde de RvS een arrest van de RvV dat inkomsten uit een tewerkstelling op basis van artikel 60 OCMW-wet wel in aanmerking nam voor het bewijs van bestaansmiddelen bij een aanvraag gezinshereniging op grond van artikel 10 Verblijfswet (RvS nr. 246.365 van 11 december 2019 en RvS nr. 241.565 van 23 mei 2018). De wet van 4 mei 2016 wijzigde echter artikel 40ter Verblijfswet door de algemene uitsluiting van "middelen verkregen uit de aanvullende bijstandsstelsels" te schrappen. Dat heeft tot gevolg dat bestaansmiddelen bij gezinshereniging met een Belg sindsdien opnieuw bewezen kunnen worden met aanvullende bijstandsmiddelen. De algemene uitsluiting van middelen verkregen uit de aanvullende bijstandsstelsels staat wel nog altijd vermeld in art. 10 Verblijfswet (= gezinshereniging met een derdelander). Bij gezinshereniging met een derdelander kunnen de bestaansmiddelen dus niet bewezen worden met middelen afkomstig uit de aanvullende bijstand, zoals een artikel 60-tewerkstelling.

Bronnen:

Tegemoetkoming voor personen met een handicap

Aanvankelijk nam DVZ de federale tegemoetkoming voor personen met een handicap in aanmerking bij de beoordeling van de voorwaarde van toereikende bestaansmiddelen. Maar na een arrest van de RvS van 12 augustus 2015, waarin de tegemoetkoming voor personen met een handicap gekwalificeerd werd als “aanvullende sociale bijstand”, wijzigde DVZ zijn beleid en nam het deze uitkering niet langer in aanmerking (RvS 12 augustus 2015, nr. 232.033; RvS 22 september 2016, nr. 12.154 (c)). De wet van 4 mei 2016 wijzigde echter art. 40ter Verblijfswet door de algemene uitsluiting van "middelen verkregen uit de aanvullende bijstandsstelsels" te schrappen. Daardoor bestaat er volgens de RvV geen grondslag meer in de Verblijfswet om de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap uit te sluiten als bestaansmiddel bij gezinshereniging met een Belg (RvV 15 mei 2017, nr. 186.791). De RvS treedt dit standpunt bij. (RvS 6 februari 2018, nr. 12.702 (c))

De algemene uitsluiting van middelen verkregen uit de aanvullende bijstandsstelsels staat wel nog steeds vermeld in art. 10 Verblijfswet. Maar de Raad van State stelt in een arrest van 12 februari 2019 dat uit de voorbereidende werkzaamheden bij de wet van 8 juli 2011 blijkt dat het de wil was van de wetgever om Belgen op het vlak van gezinshereniging aan dezelfde voorwaarden te onderwerpen als derdelanders. In de memorie van toelichting wordt uitdrukkelijk gesteld dat de tegemoetkoming voor personen met een handicap géén uitgesloten uitkering is. De Belgische staat bevestigde dit standpunt van de wetgever door in de zaak die aanleiding gaf tot het Grondwettelijk Hof arrest nr. 121/2013 over artikel 10 § 5 Vw te stellen dat "[d]e tegemoetkomingen aan gehandicapten en de ouderdomspensioenen [...] in aanmerking genomen [worden] voor de berekening van de inkomsten van de gezinshereniger". De RvS concludeert dat deze uitkering wel degelijk in aanmerking genomen moet worden door DVZ (RvS 12 februari 2019, nr. 243.676). Uit het arrest kan afgeleid worden dat DVZ de tegemoetkoming voor personen met een handicap in aanmerking moet nemen, zowel bij gezinshereniging met een Belg als bij gezinshereniging met een derdelands onderdaan. Intussen paste DVZ zijn beleid aan en neemt het (integratie- en inkomensvervangende) tegemoetkomingen voor personen met een handicap opnieuw in aanmerking.

Eerder stelde het Grondwettelijk Hof al dat een tegemoetkoming voor personen met een handicap wel in aanmerking komt bij een aanvraag gezinshereniging met een derdelander. Het GwH oordeelde in arrest nr. 121/2013 dat het recht op maatschappelijke dienstverlening van een gehandicapte persoon (OCMW-wet 08-07-1976) kan uitgesloten worden van de bestaansmiddelen voor gezinshereniging, precies omdat de tegemoetkomingen aan personen met een handicap (Wet 27-02-1987) wél in aanmerking genomen worden. Dergelijke discriminatie tussen gehandicapte gezinsherenigers onderling was om die reden volgens het GwH objectief en redelijk verantwoord (GwH 26 september 2013, nr. 121/2013, B.17.8.1 tot B.17.9).

Een uitsluiting van gehandicapte gezinsherenigers is wellicht ook problematisch in het licht van het discriminatieverbod van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Dat Verdrag is geratificeerd door België op 2 juli 2009 en verbiedt elke vorm van discriminatie op basis van een handicap.

Inkomensgarantie voor ouderen (IGO)

Praktijk DVZ

Aanvankelijk nam DVZ de inkomensgarantie voor ouderen niet in aanmerking als bestaansmiddel bij gezinshereniging. DVZ beschouwde dit inkomen als een vorm van sociale bijstand. Na het arrest van de Raad van State van 12 februari 2019, nr. 243.676 (zie onder) paste DVZ zijn beleid aan en nam het de IGO wel in aanmerking als bestaansmiddel. Tengevolge van het RvS-arrest van 16 juli 2019, nr. 245.187 (zie onder) wijzigde DVZ zijn beleid echter opnieuw en neemt het de IGO niet langer in aanmerking.

Rechtspraak voor wetswijziging 4 mei 2016

De RvV stelde dat een gezinshereniger met een derdelander of met een Belg zijn stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen niet kan bewijzen met een inkomensgarantie voor ouderen. Dat bevestigde de RvV in een nieuwsbericht op hun website, na twee arresten in die zin (RvV 13 juni 2014, nr. 125.604 en RvV 24 april 2014, nr. 122.956):

  • Volgens de verzoekers moest de inkomensgarantie voor ouderen wél in aanmerking genomen worden omdat de uitkering niet expliciet vermeld staat in de lijst van uitgesloten middelen uit aanvullende bijstandsstelsels. Artikel 10 § 5 Vw en 40ter van de Verblijfswet luiden immers: “Bij het beoordelen van deze bestaansmiddelen: […] 2° worden de middelen verkregen uit de aanvullende bijstandsstelsels, met name het leefloon en de aanvullende gezinsbijslagen, alsook de financiële maatschappelijke dienstverlening en de gezinsbijslagen niet in aanmerking genomen; […].”
  • Maar volgens de twee genoemde RvV-arresten is dit geen limitatieve opsomming. Uit de wettekst kan niet worden afgeleid dat bepaalde tegemoetkomingen bestaansmiddelen zijn.
  • De inkomensgarantie voor ouderen maakt deel uit van het aanvullend bijstandsstelsel. Middelen verkregen uit aanvullende bijstandsstelsels worden in de Verblijfswet uitgesloten van de bestaansmiddelen die in aanmerking genomen worden bij het bepalen van de stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen.
  • Verder moet de doelstelling van de wetgeving in acht worden genomen, met name: het voorkomen dat de aanvrager ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel.

De Raad van State volgde dit standpunt (zie o.m. RvS nr. 236.566 van 29 november 2016 en RvS nr. 232.848 van 10 november 2015)

Rechtspraak sinds wetswijziging 4 mei 2016

De wet van 4 mei 2016 wijzigde art. 40ter Verblijfswet door de algemene uitsluiting van "middelen verkregen uit de aanvullende bijstandsstelsels" te schrappen. Aangezien dat de basis vormde voor de uitsluiting van de inkomensgarantie voor ouderen, die in art. 40ter niet expliciet vermeld wordt als uitgesloten uitkering, moet DVZ volgens de RvV de IGO sindsdien wel in aanmerking nemen als bestaansmiddel (RvV 19 juli 2017, nr. 189.891 en RvV 12 mei 2017, nr. 186.718).

In twee arresten geveld in verenigde kamers herhaalt de RvV dat de IGO in aanmerking komt als bestaansmiddel bij gezinshereniging met een Belg (RvV 21 februari 2020, nrs. 232.987 en 232.988). Volgens de RvV is de tekst van (zowel het oude, als het gewijzigde) artikel 40ter Verblijfswet onduidelijk, waardoor de bedoeling van de wetgever achterhaald moet worden in de parlementaire voorbereiding. Na een uitvoerige analyse van de voorbereidende werken bij de wetten van 8 juli 2011 en 4 mei 2016 concludeert de RvV dat het duidelijk niet de bedoeling was van de wetgever om de IGO uit te sluiten als bestaansmiddel. Artikel 40ter, § 2, tweede lid, 1° Verblijfswet, dat een opsomming bevat van de inkomsten die niet in aanmerking komen, is een uitzonderingsbepaling die zoals alle uitzonderingsbepalingen restrictief geïnterpreteerd moet worden. Aangezien uit de voorbereidende werken ook blijkt dat het de wil was van de wetgever om Belgen op het vlak van gezinshereniging aan dezelfde voorwaarden te onderwerpen als derdelanders, geldt de rechtspraak van de RvV evenzeer voor gezinshereniging met derdelanders.

De algemene uitsluiting van middelen verkregen uit de aanvullende bijstandsstelsels staat wel nog steeds vermeld in art. 10 Verblijfswet. Maar als een inkomensgarantie voor ouderen niet in aanmerking komt bij gezinshereniging met een derdelander, stelt zich de vraag of dit geen ongrondwettige discriminatie vormt tussen familie van Belgen en familie van derdelands onderdanen. De Raad van State stelt in een arrest van 12 februari 2019 dat uit de voorbereidende werken bij de wet van 8 juli 2011 blijkt dat het de wil was van de wetgever om Belgen op het vlak van gezinshereniging aan dezelfde voorwaarden te onderwerpen als derdelanders (RvS 12 februari 2019, nr. 243.676). Hoewel de RvS zich in dit arrest strikt genomen enkel uitspreekt over de tegemoetkoming voor personen met een handicap, verwijst het naar de voorbereidende werkzaamheden bij de wet van 8 juli 2011 waaruit ook blijkt dat het de wil was van de wetgever om de inkomensgarantie voor ouderen niet uit te sluiten als in aanmerking te nemen bestaansmiddel. De Belgische staat bevestigde dit standpunt van de wetgever door in de zaak die aanleiding gaf tot het Grondwettelijk Hof arrest nr. 121/2013 over artikel 10 § 5 Vw te stellen dat "[d]e tegemoetkomingen aan gehandicapten en de ouderdomspensioenen [...] in aanmerking genomen [worden] voor de berekening van de inkomsten van de gezinshereniger". De RvS verwijst hier naar in zijn arrest nr. 243.676. Uit dat arrest van de RvS kan afgeleid worden dat DVZ deze uitkering wel degelijk in aanmerking moet nemen, zowel bij gezinshereniging met een Belg als bij gezinshereniging met een derdelands onderdaan.

Maar het recentere RvS arrest nr. 245.187 van 16 juli 2019 zegt dat de IGO "aide sociale" uitmaakt die niet in aanmerking genomen mag worden bij de berekening van de bestaansmiddelen van de Belgische gezinshereniger. Het gaat hier immers niet om een ouderdomspensioen, maar om financiële steun die de openbare overheid verstrekt aan personen van tenminste 65 jaar oud die zelf over onvoldoende middelen beschikken.

Een bedenking hierbij is of dit Franstalige RvS-arrest niet voorbijging aan de precieze betekenis in het gewijzigde artikel 40ter Vw van het begrip "aide sociale financière" of "financiële maatschappelijke dienstverlening" dat toch enkel lijkt te verwijzen naar OCMW-steun in het kader van de wet van 8 juli 1976 (het recht op financiële maatschappelijke dienstverlening), en dat duidelijk te onderscheiden valt van de IGO die gedefinieerd en geregeld wordt door de Wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen. Volgens de OCMW-wet is de IGO geen "financiële maatschappelijke dienstverlening". Het OCMW kent financiële maatschappelijke dienstverlening toe als dat nodig is om een menswaardig bestaan te verzekeren, indien nodig bovenop de IGO die door de Federale Pensioendienst wordt uitgekeerd. Letterlijk sluit artikel 40ter Verblijfswet sinds 4 mei 2016 alleen uit als bestaansmiddelen voor gezinshereniging: "de middelen verkregen uit het leefloon, de financiële maatschappelijke dienstverlening, de kinderbijslagen en toeslagen, de inschakelingsuitkeringen en de overbruggingsuitkering. De werkloosheidsuitkering komt alleen in aanmerking indien de Belg bewijst dat hij actief werk zoekt". Ook lijkt het RvS-arrest nr. 245.187 in te gaan tegen de wil van de wetgever, zoals toegelicht in het eerdere RvS-arrest nr. 243.676.

In twee Nederlandstalige arresten van 16 december 2020 herhaalt de RvS dat de IGO een vorm is van financiële maatschappelijke dienstverlening. De RvS baseert zich daarvoor op rechtspraak van het GwH. Nog volgens de RvS bepaalt de OCMW-wet niet op algemene en exclusieve wijze wat begrepen moet worden als financiële maatschappelijke dienstverlening (RvS 16 december 2020, nrs 249.263 en 249.264).

In een arrest van 16 februari 2021 herhaalt de RvS in verenigde kamers dat de IGO gekwalificeerd moet worden als een vorm van financiële maatschappelijke dienstverlening die niet in aanmerking komt als bestaansmiddel in de zin van artikel 40ter Verblijfswet (RvS 16 februari 2021, nr. 249.844). De RvV volgt deze rechtspraak (RvV 5 mei 2021, nr. 253.992, zie hierover tevens het persbericht van de RvV).

We blijven dit bericht actualiseren naargelang verdere ontwikkelingen in regelgeving, rechtspraak en administratieve praktijken.

Oudere rechtspraak over de bestaansmiddelen van een derde

Hieronder vind je een overzicht van oudere rechtspraak mbt het al dan niet mee tellen van de bestaansmiddelen van een inwonende derde

Hieronder volgt, ter volledigheid, oudere rechtspraak mbt de bestaansmiddelen, wat betreft de vraag of het inkomen van een inwonend gezinslid van een Belg wel of niet kan worden meegerekend. Deze verdeelde rechtspraak is op dit moment beslecht door het arrest van het Grondwettelijk Hof, dat stelt dat voor een Belgische referentiepersoon het inkomen van een inwonend gezinslid evenzeer meegeteld mag worden, zoals voor een derdelands referentiepersoon.

De rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en de Raad van State was tot op heden verdeeld over de vraag of DVZ bij de beoordeling van de middelen ook rekening moet houden met het inkomen van een inwonend gezinslid, of het inkomen van de persoon zelf die de gezinshereniging vraagt. Ondanks de tegenstrijdige interpretaties bleven er twee principes overeind waarover de rechtspraak het eens was:

  • DVZ hield aanvankelijk enkel rekening met de inkomsten van de aanvrager, zowel bij aanvragen gezinshereniging met Belg of derdelanders. Er moest bewezen worden dat de referentiepersoon effectief over het inkomen beschikt. Het wordt bijvoorbeeld op de rekening van de Belg (of gezamenlijke rekening) gestort.
  • Giften van een derde, waarover de referentiepersoon effectief beschikt, mocht DVZ echter niet weigeren louter omdat ze van een derde afkomstig zijn.

Middelen van een gezinslid van een derdelander (artikel 10 Vw)

Bij gezinshereniging met een derdelander wordt aanvaard dat de herkomst van de vereiste bestaansmiddelen niet beslissend is volgens de uitlegging die het Hof van Justitie heeft gegeven aan artikel 7, eerste lid, c) van deze richtlijn. De RvV leidt daaruit af dat ook loonbrieven van een inwonend gezinslid voorgelegd mogen worden, en dat DVZ moet motiveren waarom deze niet in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van het stabiel en toereikend karakter van de bestaansmiddelen (RvV nr. 272.346 van 5 mei 2022, RvV nr. 311 900 van 27 augustus 2024). Andere rechtspraak stelt echter dat het inkomen van een gezinslid niet automatisch meegeteld mag worden (RvV nr. 239.263 van 20 juli 2020).

Middelen van een gezinslid van een Belg (artikel 40ter Vw)

Tot 2014 was er overeenstemming binnen de rechtspraak dat enkel de middelen van de Belgische referentiepersoon in aanmerking genomen konden worden (RvV nr. 82.800 van 11 juni 2012, RvV nr. 117.215 van 20 januari 2014, RvV nr. 124.166 van 19 mei 2014), doorgaans met het argument dat men over het inkomen van bvb een ouder waarbij men inwoont niet effectief kan beschikken (RvV nr. 118.301 van 3 februari 2014, RvV nr. 119.534 van 26 februari 2014).

In sommige gevallen werd geoordeeld dat er wel sprake is van het ‘beschikken’ over inkomen van een ander (RvV nr. 128.411 van 29 augustus 2014, RvV nr. 142.349 van 30 maart 2015). Zo werd verwezen naar de burgerrechtelijke regeling van gemeenschappelijk inkomen (RvV nr. 122.255 van 9 april 2014; vernietigd door RvS) of naar de bijdrageplicht van artikel 221 BW, waarbij echtgenoten over mekaars inkomen kunnen beschikken, of artikel 1477 BW voor wettelijk samenwonenden.

Deze zienswijzen werden door de Raad van State niet aanvaard (RvS nr. 230.955 van 23 april 2015, RvS nr. 232.612 van 20 okt 2015, RvS nr. 234.515 van 26 april 2016), ook niet met verwijzing naar artikel 221 BW (RvS nr. 235.265 van 28 juni 2016).

Er volgden meer arresten in de zin dat inkomen van een gezinslid wordt uitgesloten (RvV 150.187 en 151.205 over de echtgenoot, RvV 151.099, RvV nr. 151.100 over een neef).

Andere rechtspraak nam echter het standpunt in waarbij een lezing van artikel 40ter Vw voorgesteld werd in de lijn van de bepaling in artikel 40bis Vw inzake vrij verkeer (RvV nr. 163.344 van 1 maart 2016 en RvV nr. 163.345 van 1 maart 2016).

Omdat het Grondwettelijk Hof in arrest 121/2019 nog geen kennis had van arrest X t/België, stelden meerdere rechters ook dat de redenering van de Raad van State na dit arrest van het Hof van Justitie niet meer gevolgd kon worden (RvV nr. 254 885 van 21 mei 2021, RvV nr. 255 614 van 4 juni 2021, RvV nr. 249 056 van 15 februari 2021, RvV 265 512 van 14 december 2021). 

Toch behield de Raad van State de vaste rechtspraak dat artikel 40ter Vw niet gelezen mag worden alsof het een verplichting zou inhouden om rekening te houden met het inkomen van een gezinslid of derde (RvS nr. 230.955 van 23 april 2015, RvS nr. 232.612 van 20 oktober 2015, RvS nr. 234.515 van 26 april 2016,RvS nr. 236.022 van 6 oktober 2016, RvS nr. 237.191 van 26 januari 2017, RvS nr. 247.379 van 12 december 2017, RvS nr. 295.979 van 3 juni 2024,  RvS nr. 260.50119 van augustus 2024), en verduidelijkte dat artikel 221 BW er niet toe leidt dat de referentiepersoon over het inkomen meegeteld moet worden (RvS nr. 235.265 van 28 juni 2016, RvS nr. 237.191 van 26 januari 2017) en dat het ook onvoldoende is om te bewijzen dat het gezin niet ten laste is van de sociale bijstand (RvS nr. 232.708 van 27 oktober 2014). Wat de toepassing van de rechtspraak van het Hof van Justitie betreft, oordeelt de Raad van State dat Richtlijn 2004/38 niet van toepassing is (RvS nr. 240.164 van 8 april 2020,RvS nr. 237.1912 van 6 januari 2017), en dat ook Richtlijn 2003/86 niet ingeroepen kan worden, ook al is de formulering gelijkaardig (RvS nr. 236.022 van 6 oktober 2016, RvS nr. 260.501 van 19 augustus 2024). Verder stelt de Raad van State dat ook bij de behoefteanalyse geen rekening gehouden mag worden met het inkomen van een gezinslid (RvS nr. 255.940 van 2 maart 2023) - zie hierover echter het Grondwettelijk Hof arrest nr. 38/2026 van 2 april 2026

De RvV volgde deze zienswijze, maar de argumentatie kan verschillen. Een deel van de rechtspraak neemt het standpunt in dat inkomsten van een derde uitgesloten zijn (RvV nr. 304 328 van 4 april 2024, RvV nr. 273.048 van 20 mei 2022, RvV nr. 297.918 van 29 november 2023, RvV nr. 308.595 van 20 juni 2024, RvV nr. 317.300 van 26 november 2024). Maar een beperkt deel van de rechtspraak benadrukt dat de belangrijkste vraag is of de referentiepersoon over het inkomen kan beschikken. Het louter weigeren om reden van herkomst is dan geen voldoende motivatie(zo bijvoorbeeld in het geval van opgestuurde giften: RvV 243.504 van 30 oktober 2020, RvV nr. 335 097 van 29 oktober 2025, RvV nr.  335 099 van 29 oktober 2025). Het is wel mogelijk om giften van derden als onvoldoende bewijs te beoordelen omdat ze geen bewijs zijn van actueel regelmatig inkomen (RvV 274 789 van 30 juni 2022), RvV nr. 329 736 van 11 juli 2025) en RvV nr. 331.439 van 21 augustus 2025: “Uit het voorgaande blijkt evenzeer dat de verwerende partij de gelden van de referentiepersoon niet ab initio heeft uitgesloten maar terecht heeft gemotiveerd dat de storting in 2020 een momentopname was waarmee geen rekening kan worden gehouden”.

Uit het samenlezen van die arresten blijkt dat er op zich geen wezenlijk verschil is tussen de bepaling van artikel 10 en artikel 40ter Vw wat betreft de herkomst van de bestaansmiddelen. Giften van familieleden mogen niet verworpen worden, louter omdat het van een derde komt, maar omgekeerd mag het inkomen van een hulpvaardig gezinslid niet automatisch meetellen, als niet bewezen is dat de referentiepersoon er ook echt kan over beschikken.

Of, in de woorden van de Raad van State: “De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermag na te gaan of in de aanvankelijk bestreden beslissing op wettige wijze werd geoordeeld of de aangevoerde door de referentiepersoon maandelijks ontvangen stortingen van 500 euro al dan niet als stabiele en regelmatige bestaansmiddelen kunnen worden beschouwd, hetgeen tot de beoordeling van de zaak zelf behoort, doch hij vermag niet zonder schending van artikel 40ter iuncto 42 van de vreemdelingenwet deze bedragen uit te sluiten, enkel omdat ze afkomstig zijn van de broer van de referentiepersoon” (Raad van State nr. 254.820 van 20 oktober 2022, cassatie van arrest RvV nr. 234 959 van 8 april 2020).

Zo stel de ene rechter dat bij de beoordelen van het inkomen van de Belgische moeder (voor een meerderjarig kind ten laste) die samenwoont met de niet-Belgisch vader, DVZ het inkomen van de niet-Belgische vader mag negeren (nr. 317 300 van 26 november 2024). 

Een voorbeeld van dit hardnekkig misverstand is te vinden in de opeenvolgende arresten over een aanvraag van 20 juli 2012, met opeenvolgende beroepen tot in 2025. De RvV vernietigde een weigeringsbeslissing van DVZ omdat ze 4 giften van 350 euro niet meetelden, louter om de reden dat het om giften van een derde ging (RvV nr. 243 504 van 30 oktober 2020). DVZ nam daarna dezelfde negatieve beslissing, opnieuw vernietigd door RvV nr. 287 557van 13 april 2023) en dan opnieuw door RvV nr. 305 928 van 30 april 2024, en opnieuw door RvV nr. 331 008 van 14 augustus 2025. Mogelijk kon een weigering van DVZ de toets van de RvV wel doorstaan met het argument dat de 4 giften geen bewijs meer zijn van een actueel inkomen, in plaats van het argument dat ze niet mogen worden meegeteld. 

Op 2 april 2026 besliste het Grondwettelijk Hof dat er geen onderscheid gemaakt mag worden tussen een Belgische referentiepersoon en een derdelander, en dat ook bij de bestaansmiddelen van de Belgische referentiepersoon gekeken moet worden naar bijdragen van derden (supra).