Geen geldig paspoort vereist bij gezinshereniging als kind van Belg
In het kort
Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) mocht volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) geen bepaling uit het Verblijfsbesluit (Vb) toepassen die strenger is dan het relevante wetsartikel uit de Verblijfswet (Vw). Die bepaling in het Vb legt die strengere voorwaarden op over het voorleggen van een geldig paspoort bij een aanvraag gezinshereniging als minderjarig kind van een Belg, hoewel de Vw zelf ruimte laat voor alternatieve bewijsmiddelen inzake de identiteit. Dat stelde de RvV in arrest 327.655 van 4-6-2025.
De aanvragen gezinshereniging van drie Eritrese minderjarige kinderen die gezinshereniging aanvroegen met hun Belgische vader werden geweigerd omdat geen geldig paspoort voorgelegd werd.
De RvV wijst er op dat de wet over gezinshereniging van een kind met een Belgische ouder geen verplichting bevat tot voorlegging van een geldig identiteitsdocument. Dit wordt wel opgelegd bij gezinshereniging van een ouder met een Belgisch minderjarig kind. Dat was een bewuste keuze van de wetgever, om ontvoeringsrisico's te beperken en frauduleuze aanvragen te bestrijden. Diezelfde bezorgdheid speelde niet in het kader van gezinshereniging van een minderjarig kind met een Belgische ouder.
Art. 40ter, § 2, eerste lid, 2° Vw legt geen verplichting op om een geldig paspoort voor te leggen. De rechtsgrond die vermeld wordt in de bestreden beslissing is art. 52, §2 Vb. Dit laatste artikel verwijst dan weer naar art. 41, 2de lid Vw . De voorwaarde van een geldig paspoort of identiteitsbewijs wordt hier niet eng ingevuld. Hoewel art. 52 Vb een geldig paspoort vereist, heeft de Koning ingevolge art. 108 van de Grondwet (Gw) niet de bevoegdheid om de draagwijdte van de wet te verruimen, aan te vullen, wijzigen of leemtes op te vullen. Dit artikel schendt art. 40ter, § 2, eerste lid, 2° Vw in de mate dat het een verstrenging van de wet inhoudt.
De kinderen waren geboren in België en Nederland en legden onder andere een beschikking over het ouderlijk gezag en Nederlandse verblijfskaarten voor. Daarenboven was bij de aanvraag een begeleidende brief gevoegd waarin uitgelegd was dat het zeer moeilijk zou zijn om Eritrese paspoorten te bekomen voor de kinderen. Dit zou onder andere moeilijk zijn doordat er dan een diasporabelasting zou betaald moeten worden of een ‘regret form’ ondertekend zou moeten worden door de vader in verband met zijn desertie uit het leger. De RvV verwijst bovendien naar rechtspraak van het GwH en komt tot hetzelfde besluit. Door geen onderzoek te voeren naar de voorgelegde stukken inzake de identiteit van de kinderen gaf DVZ een onredelijke invulling aan art. 52 Vb, zoals het geïnterpreteerd moet worden in het licht van art. 40ter, §2, 1ste lid, 2° Vw.