RvV: derdelands (ex-)echtgenoot kan verblijfsrecht behouden als echtscheidingsprocedure is opgestart vóór vertrek Unieburger of Belg uit België
In het kort
Bij een ‘cumul’ van beëindigingsgronden, waarbij de referentiepersoon België al zou verlaten hebben nog vóór de echtscheiding werd uitgesproken, kan het derdelands familielid van een Unieburger of Belg zich toch beroepen op een behoud van verblijfsrecht omwille van drie jaar huwelijk waarvan één jaar in België in de zin van art. 13, lid 2, eerste alinea, onder a) Burgerschapsrichtlijnvoorwaarde op voorwaarde dat de echtscheidingsprocedure opgestart werd vóór het vertrek van de Unieburger of Belg uit België.
Eerste vijf jaar: voorwaardelijk verblijfsrecht
Het verblijfsrecht van een derdelands familielid van een Unieburg of Belg is onbeperkt maar wel voorwaardelijk gedurende de eerste vijf jaar.Dit betekent dat het derdelands familielid tijdens deze periode moet blijven voldoen aan de voorwaarden voor gezinshereniging. Is dat niet of niet meer het geval, dan kan DVZ een einde maken aan het verblijfsrecht van het derdelands familielid.
Behoud verblijfsrecht ondanks aanwezigheid beëindigingsgrond
De Verblijfswet voorziet wel in een aantal gevallen waarin het derdelands familielid, ondanks de aanwezigheid van een beëindigingsgrond, zijn verblijfsrecht toch niet verliest.
Op 22 mei 2025 sprak de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) zich uit over de situatie waarbij DVZ het verblijfsrecht van een Braziliaanse vrouw had beëindigd omdat haar ex-echtgenoot België had verlaten. Aangezien het koppel geen kinderen had en er rekening houdend met de duur van haar verblijf in België, haar leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in België en de mate waarin ze bindingen heeft met haar land van oorsprong volgens DVZ geen redenen waren om haar verblijfsrecht toch niet in te trekken, maakte DVZ een einde aan haar verblijfsrecht. Hoewel DVZ in de beslissing waarbij een einde werd gesteld aan het verblijf van drie maanden verwees naar de echtscheiding die werd uitgesproken tussen verzoekster en haar ex-echtgenoot, ging DVZ niet na of de vrouw haar verblijfsrecht kon behouden op grond van art. 42quater, §4, lid 1, 1° Vw. Deze bepaling stelt dat het derdelands familielid zijn verblijfsrecht behoudt
- als het huwelijk, bij de start van de gerechtelijke procedure tot ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk, ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan minstens één jaar in België én
- voor zover betrokkenen aantonen
- werknemer of zelfstandige te zijn in België, of
- voor zichzelf en hun familieleden te beschikken over voldoende bestaansmiddelen om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste vallen van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk en beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt, of
- lid zijn van een in België gevormd gezin waarvan een persoon aan één van deze voorwaarden voldoet.
Cumul van beëindigingsgronden
In het arrest van 22 mei 2025 onderzocht de RvV eerst of een derdelands echtgenoot zijn of haar verblijfsrecht kan behouden wanneer er sprake is van een echtscheiding én een vertrek van de Unieburger uit België. Verwijzend naar de rechtspraak van het Hof van Justitie (HvJ) in zaak Singh (C-218/14) en NA (C-115/15) oordeelde de RvV dat een derdelands familielid beroep kan doen op art. 42quater, §4, lid 1, 1° Vw (= behoudt van verblijfsrecht na echtscheiding) wanneer blijkt dat de gerechtelijke procedure tot echtscheiding al was aangevat alvorens de echtgenoot uit België vertrok. In deze situatie bleek dit het geval. Bijgevolg had DVZ moeten nagaan of aan de voorwaarden in art. 42quater, §4, lid 1, 1° Vw was voldaan.
In 2021 sprak ook het HvJ zich uit over de cumul van beëindigingsgronden. Zie hierover ons nieuwsbericht: 'HvJ: slachtoffers van huiselijk geweld in procedure gezinshereniging worden niet ongelijk behandeld'.
Voor te leggen stukken
Vooraleer DVZ een einde kan maken aan het verblijfsrecht van een derdelands familielid van een Unieburger of Belg moet het de betrokkene schriftelijk vragen om relevante informatie over te maken. DVZ haalde aan dat hij op het ogenblik van de beslissing om het verblijfsrecht te beëindigen niet op de hoogte was van de ‘regelingsakte EOT’ (echtscheiding met onderlinge toestemming). De RvV onderzocht in het arrest of de vrouw wist of hoorde te weten dat ze de ‘regelingsakte EOT’ had moeten overmaken aan DVZ of kwam het DVZ, als zorgvuldig optredende overheid toe, om de vrouw hier specifiek om te vragen? De RvV besloot dat DVZ de zorgvuldigheidsplicht had geschonden door de vrouw niet uit te nodigen stukken over te maken die erop wezen dat de echtscheidingsprocedure was opgestart voordat haar ex-echtgenoot uit België was vertrokken.
Behoudt verblijfsrecht
Rekening houdend met het feit dat de echtscheiding werd opgestart vooraleer haar Roemeense man België verliet, het huwelijk meer dan drie jaar had geduurd waarvan minstens één jaar in België én dat verzoekster DVZ bewijzen had voorgelegd waaruit bleek dat ze tewerkgesteld was als werknemer, oordeelde de RvV dat voldaan was aan de voorwaarden vervat in art. 42quater, §4, lid 1, 1° Vw. De RvV vernietigde de beslissing van DVZ om het verblijf van de vrouw te beëindigen.
Kanttekening: geen gezamenlijke vestiging
Wat opvalt in het arrest is dat de RvV ingaat op de mogelijkheid een einde te maken aan het verblijfsrecht van een derdelands familielid wanneer er geen gezamenlijke vestiging meer is. De RvV lijkt hiermee aan te geven dat deze bepaling ook van toepassing zou zijn op gehuwde of wettelijke samenwonende partners. Maar, uit eerdere rechtspraak blijkt dat de mogelijkheid om het verblijfsrecht te beëindigen wegens feitelijke scheiding uitsluitend toepasbaar is op bloedverwanten in opgaande of neergaande lijn. Zie hierover ons eerder nieuwsbericht: ‘RvV verduidelijkt toepassing uitzondering op einde verblijf familielid Unieburger of Belg’.
In 2021 herhaalde het HvJ dat een feitelijke scheiding het verblijfsrecht van een derdelands echtgenoot van een Unieburger niet aantast. Zie hierover ons eerder nieuwsbericht: 'HvJ: slachtoffers van huiselijk geweld in procedure gezinshereniging worden niet ongelijk behandeld'.
Meer info
HvJ 30 juni 2016, C-115/15, 'NA'
HvJ 16 juli 2015, C-218/14, 'Singh'