GwH: bestaansmiddelenvereiste gezinshereniging met Belg - ook inkomsten van partner komen in aanmerking

In het kort

De interpretatie dat de bestaansmiddelen waarover de statische Belg bij gezinshereniging moet beschikken opdat zijn partner een verblijfsrecht zou kunnen krijgen uitsluitend de persoonlijke bestaansmiddelen van de Belg moeten zijn, schendt het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel in samenhang met het recht op gezinsleven. Bij de beoordeling van de bestaansmiddelen moet de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) ook rekening houden met de stabiele bestaansmiddelen van de partner of echtgenoot die zich bij de Belg voegt.

RvV: herkomst bestaansmiddelen doorslaggevend bij gezinshereniging met Belg, maar niet bij derdelander?

De RvV stelde  een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof (GwH) waarbij hij in essentie vroeg of de Verblijfswet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en recht op privé- en gezinsleven in zoverre bij een aanvraag gezinshereniging met een statische Belg bij de beoordeling van de behoeften van de Belg en zijn familieleden, enkel rekening gehouden kan worden met de eigen bestaansmiddelen van de Belg , hoewel de herkomst van de bestaansmiddelen in het kader van gezinshereniging met een derdelander niet beslissend is.

Artikel 40ter van de Verblijfswet (Vw) bepaalt dat een Belg over voldoende middelen moet beschikken vooraleer een echtgenoot, partner en/of kinderen een verblijfsrecht kunnen verkrijgen in België. Daarvoor werd een referentiebedrag bepaald (op dit moment 120% van het leefloon ). Als de Belg niet persoonlijk over een inkomen beschikt ter hoogte van dat minimumbedrag, dan mag de Belg aantonen dat het inkomen waarover hij wel beschikt op zich voldoende is om het hele gezin te onderhouden. De DVZ moet dan een behoefteanalyse uitvoeren om dit na te gaan. 

Geschiedenis van de bestaansmiddelenvereiste

De bestaansmiddelenvereiste in het kader van gezinshereniging met een (statische) Belg werd ingevoerd in 2007, maar was toen beperkt tot de gezinshereniging met ascendenten van de Belg. Op dat ogenblik was het doel om de familieleden van Belgen en Unieburgers gelijk te stellen.

In 2011 werd dit artikel 40ter Vw gewijzigd, de categorieën waarop de bestaansmiddelenvereiste van toepassing was werden uitgebreid. Men wou vermijden dat het familielid ten laste zou vallen van de overheid en men wou rekening houden met het EU-recht, in het kader van gezinshereniging met Belgen en vreemdelingen met onbeperkt verblijfsrecht. In 2016 werd het artikel vervangen, maar werd de bestaansmiddelenvereiste ongewijzigd gelaten.

Het GwH onderzoekt in dit geval de versies van de artikelen 40ter, § 2, tweede lid, 1° en 42, § 1, tweede lid Vw zoals zij bestonden voor de wetswijzigingen in 2024 en 2025 en enkel in zoverre het de gezinshereniging van de geregistreerde partner van de statische Belg betreft.

GwH: verschil herkomst middelen tussen Belgen en Unieburgers niet discriminatoir

De bestaansmiddelenvereiste in het kader van gezinshereniging met derdelanders, zoals bepaald in de artikelen 10, 10bis en 12bis, vormen een omzetting van art. 7, lid 1, c), van de Gezinsherenigingsrichtlijn 2003/86/EG. Met verwijzing naar de arresten Chakroun en Khachab interpreteerde het HvJ dit artikel. in die zin dat niet de herkomst van de bestaansmiddelen beslissend is, maar wel de stabiliteit en toereikendheid ervan, rekening houdend met de individuele situatie van de betrokkene. De RvS oordeelde later dat dit arrest betrekking had op de situatie van een langdurig ingezetene, niet op die van een derdelander die gezinshereniging aanvraagt met een statische Belg. Bovendien hadden het GwH en de Raad van State eerder al bevestigd dat het toegelaten is om Belgen aan een strengere behandeling te onderwerpen inzake voldoende bestaansmiddelen dan Unieburgers en in het kader van de behoefteanalyseDe doelstellingen van de gezinshereniging met Unieburgers is immers gericht op het garanderen van het vrij verkeer, waar dit bij statische Belgen het streven naar een eerlijk immigratiebeleid is

GwH: verschil herkomst middelen tussen Belgen en derdelanders wel discriminatoir 

Het GwH had nog niet eerder geoordeeld over het verschil in behandeling tussen Belgen en derdelanders, waar een andere redenering geldt. De wetgever had bewust de gezinshereniging met Belgen en met derdelanders op identieke wijze geregeld, want veel gevallen van gezinshereniging met Belgen zijn net gevallen waar de referentiepersoon pas later de Belgische nationaliteit verkregen heeft en ‘nationaliteit is nauwelijks doorslaggevend voor het welslagen van de integratie’.

Het Grondwettelijk Hof stelt vast dat daardoor gezinsleden van Belgen op een andere manier worden behandeld dan gezinsleden van derdelanders, en dat dit onderscheid niet redelijk te verantwoorden is. De bestaansmiddelen van een gezinslid van een Belg zijn immers niet in dergelijke mate minder stabiel dan de bestaansmiddelen van familieleden van derdelanders, die zich vaak nog in het buitenland bevinden (B.15).

Het Hof stelt dat de formulering van artikel 40ter Vw ’op zich niet verhindert dat bij de beoordeling van die bestaansmiddelen rekening wordt gehouden met de stabiele bestaansmiddelen van de familieleden die zich bij de gezinshereniger voegen’ (B.17). De wet moet dus zelf niet aangepast worden. Het artikel moet wel zo geïnterpreteerd worden dat niet uitsluitend rekening gehouden wordt met het inkomen van de Belgische referentiepersoon.

Impact op de praktijk

De precieze impact van dit arrest op de praktijk is voorlopig nog onduidelijk. Hoewel de vraag gesteld door de RvV toespitste op de behoefteanalyse, heeft het GwH zich in meer algemene termen uitgesproken. De bijzondere wet van 6 januari 1989 voorziet geen beperking van deze mogelijkheid.

Het Hof oordeelt dat de vereiste dat de bestaansmiddelen van de statische Belg uitsluitend diens persoonlijke bestaansmiddelen moeten zijn, de artikelen 10 en 11 van de GW, in samenhang met art. 8 EVRM schendt. Deze bestaansmiddelen moeten dus niet uitsluitend de persoonlijke bestaansmiddelen zijn van de Belg. Dit geldt zowel wat de voorwaarde dat de bestaansmiddelen toereikend, regelmatig en stabiel zijn, als wat de behoefteanalyse betreft. Of deze interpretatie ook kan toegepast worden op andere gezinsleden van de statische Belg, zoals de echtgenoot of gelijkgestelde partner wordt niet bepaald door het GwH. Niets lijkt echter een onderscheid te legitimeren inzake de bestaansmiddelenvereiste voor wat betreft de gezinshereniging tussen geregistreerde partners en echtgenoten.

Het GwH beperkt de toepassing van deze uitspraak tot de artikelen oude 40ter, § 2, tweede lid, 1° en 42, § 1, tweede lid Vw. Echter, de relevante passages  van deze artikelen werden niet gewijzigd door de wetswijzigingen van 2024 en 2025. In principe kan de voormelde interpretatie van deze artikelen door het GwH doorgetrokken worden tot de nieuwe artikelen 40ter en 42 Vw. Het is echter onzeker of DVZ dit zo zal toepassen.

Hoewel er heel wat rechtspraak is die stelt dat DVZ niet enkel de bestaansmiddelen van de referentiepersoon in aanmerking moet nemen, neemt DVZ voorlopig enkel bij langdurig ingezetenen en houders van een blauwe kaart de bestaansmiddelen van een derde in aanmerking, in zoverre de gezinscel reeds bestond in een andere EU-lidstaat. Deze praktijk staat op gespannen voet met dit arrest en de eerder vermelde rechtspraak van het HvJ.

Gelet op het voorgaande lijkt het bij het indienen van een aanvraag gezinshereniging aangeraden om wanneer mogelijk ook steeds de bestaansmiddelen van de referentiepersoon voor te leggen. Daarnaast kan het nuttig zijn, zeker indien men niet aan de voorwaarden zou voldoen zonder deze bijkomende middelen, ook de middelen van het familielid voor te leggen en de nodige documenten voor te leggen zodat DVZ een behoefteanalyse kan uitvoeren.