HvJ: beslissing om geen periode vrijwillige terugkeer toe te kennen moet openstaan voor daadwerkelijk rechtsmiddel

In het kort

Tegen de beslissing in een terugkeerbesluit om geen termijn voor vrijwillig vertrek toe te kennen, moet je beroep kunnen instellen. Deze beslissing is geen loutere uitvoeringsmodaliteit. Ze heeft aanzienlijke gevolgen voor de rechtstoestand van de persoon. De beslissing over de termijn voor vrijwillig vertrek maakt integraal deel uit van de terugkeerverplichting. Als deze beslissing onwettig is, moet  het terugkeerbesluit nietig verklaard worden. Terugkeerrichtlijn 2008/115 verzet zich er niet tegen dat lidstaten ook na geruime tijd nog een inreisverbod kunnen opleggen, op basis van een terugkeerbesluit zonder termijn voor vrijwillig vertrek. Dit antwoordde het Hof van Justitie (HvJ) in de gevoegde zaken C-636/23 en C-637/23 van 1-8-2025. 

Beslissing over vrijwillige terugkeerperiode staat open voor beroep

Artikel 7 (4) van richtlijn 2008/115 schrijft voor dat lidstaten mogen afzien van de voorziening van een periode voor vrijwillig vertrek bij:

  • een risico op onderduiken
  • een afgewezen verblijfsaanvraag die kennelijk ongegrond of frauduleus was
  • een risico voor openbare orde of nationale veiligheid

Artikel 11 (1) bepaalt dat het terugkeerbesluit gepaard gaat met een inreisverbod wanneer:

  • er geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegekend, of
  • er niet aan de terugkeerverplichting is voldaan

De vraag rijst of het al dan niet toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek, of de bepaling van de termijn zelf, een loutere ‘niet voor beroep vatbare uitvoeringsmodaliteit’ betreft.

Het Hof oordeelde dat het al dan niet toekennen van een termijn voor vrijwillige vertrek belangrijke rechtsgevolgen heeft. Zo heeft de niet toekenning van deze termijn als gevolg dat een inreisverbod moet worden opgelegd (artikel 11, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2008/115). Daarnaast heeft het geven van een periode voor vrijwillig vertrek een directe impact op onder meer de handhaving van de eenheid van het gezin, de medische zorg en de toegang tot het basisonderwijs.

De beslissing om al dan niet een termijn voor vrijwillig vertrek toe te kennen heeft een impact op de rechtstoestand van de persoon, en moet bijgevolg openstaan voor een daadwerkelijk rechtsmiddel.

Lidstaten niet verplicht inreisverbod gelijktijdig of kort na terugkeerbesluit op te leggen

Het Hof verduidelijkt ook dat een lidstaat niet verplicht is om het inreisverbod gelijktijdig, of binnen korte termijn af te geven na een terugkeerbesluit. Een inreisverbod vult een terugkeerbesluit aan, waarbij verwezen kan worden naar een ‘materiële band’. Daarbij is het terugkeerbesluit (met in dit geval niet-toekenning van een periode voor vrijwillige terugkeer) een voorwaarde is voor het opleggen van het inreisverbod.

 Een inreisverbod kan dus ook nog geruime tijd na een terugkeerbesluit volgen.

Onwettige beslissising over vrijwillige terugkeer, tast hele terugkeerbesluit aan

Ten slotte wordt de vraag gesteld dat wanneer een bepaling over het vrijwillig vertrek onwettig wordt geacht, dit ook het terugkeerbesluit onwettig maakt. 

Het Hof antwoordt bevestigend: hierbij wordt in analogie verwezen naar rechtspraak die zegt dat wordt geacht dat een nieuw terugkeerbesluit is genomen wanneer een essentieel punt van dit terugkeerbesluit wijzigt. Het karakter van het terugkeerbesluit (vrijwillig of gedwongen) vormt één van deze essentiële elementen.

Bijgevolg moet het terugkeerbesluit in zijn geheel nietig worden verklaard wanneer wordt vastgesteld dat

  • Het besluit tot het al dan niet toekennen van een periode voor vrijwillige terugkeer onwettig is, of
  • Het besluit over de duur van de periode voor vrijwillige terugkeer onwettig is

Bericht geschreven door Vluchtelingenwerk