Wetgever voorziet mogelijkheid tot opleggen van levenslang inreisverbod

In het kort

Sinds 23-5-2026 bestaat de wettelijke mogelijkheid om aan bepaalde personen, in het kader van terrorisme, een levenslang inreisverbod op te leggen. Deze mogelijkheid werd lang betwist, maar werd onlangs bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ), als er een terroristische dreiging uitgaat van de personen waaraan het opgelegd werd.

Wie kan een levenslang inreisverbod krijgen?

Bij wet van 30 april 2026 voerde de wetgever de mogelijkheid in om een levenslang inreisverbod op te leggen aan ‘terroristen, potentieel gewelddadige extremisten en haatpredikers’. Concreet gaat het om ‘gevalideerde entiteiten’, geregistreerd in de T.E.R. databank.De memorie van toelichting vermeldt tevens dat personen op de OCAD-lijst  ‘entité A’ ook een levenslang inreisverbod kunnen krijgen.Een gevalideerde entiteit wordt gedefinieerd als volgt: elke meerderjarige natuurlijke persoon of minderjarige natuurlijke persoon van twaalf jaar of ouder, elke rechtspersoon of feitelijke vereniging die beantwoordt aan de criteria van een foreign terrorist fighter, homegrown terrorist fighter, potentieel gewelddadige extremist, terrorismeveroordeelde of haatpropagandist, alsook alle door hen aangewende middelen. Enkel natuurlijke personen kunnen een levenslang inreisverbod krijgen.

In principe wordt een inreisverbod opgelegd voor een bepaalde duur van maximum vijf jaar. De termijn kan langer zijn indien de betrokkene een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. In de Belgische wetgeving wordt nu de expliciete mogelijkheid voorzien om een levenslang inreisverbod op te leggen.

Het kan toegepast worden op zowel Unieburgers en hun familieleden als op derdelanders.Voor Unieburgers en hun familieleden geldt het inreisverbod slechts voor België, niet de hele EU. 

De mogelijkheid wordt niet expliciet voorzien ingeval van signalering van bijvoorbeeld foreign terrorist fighters die zich nog in het buitenland bevinden. Aan personen die zich in het buitenland bevinden wordt geen inreisverbod opgelegd, maar zij worden gesignaleerd met het oog op weigering van toegang en verblijf. Zo’n signalering heeft weliswaar een zeer gelijkaardige impact als een inreisverbod, maar is strikt gezien niet hetzelfde. Een inreisverbod kan enkel afgegeven worden in navolging van een bevel om het grondgebied te verlaten, het kan geen beslissing zijn die zonder voorgaande afgegeven wordt. Een signalering daarentegen kan wel een alleenstaande beslissing zijn, wat ook logisch is aangezien ze genomen kan worden ten aanzien van personen die in het buitenland zijn en het grondgebied niet hoeven te verlaten, maar waaraan de binnenkomst of een visum geweigerd moet worden.

De wet van 30 april 2026 wijzigt (art. 3) onder andere de definitie van het inreisverbod,waarbij de mogelijkheid om het op te leggen voor een bepaalde termijn nu ook aangevuld wordt dat de toegang en het verblijf in België verboden wordt.

Ook wordt voor derdelanders met een levenslang inreisverbod de mogelijkheid tot aanvraag tot opheffing of opschorting na twee-derde dan de duur van het inreisverbod herzien tot ten vroegste na 20 jaar, wanneer het voor professionele of studieredenen is.

HvJ: een levenslang inreisverbod kan opgelegd worden

Er bestond lang twijfel of een levenslang inreisverbod wel opgelegd kon worden. In de Burgerschapsrichtlijn lijkt de mogelijkheid tot levenslange verwijdering van het grondgebied niet mogelijk, al oordeelt de wetgever dat slechts vereist is dat de mogelijkheid geboden moet worden om de opheffing aan te vragen. In het terugkeerhandboek werd nog geoordeeld dat er steeds een duurtijd bepaald moet worden van een inreisverbod, het stelt expliciet ‘geen onbeperkte inreisverboden’, met verwijzing naar HvJ-arrest Filev en Osmani.

Echter, recent bevestigde het HvJ ondubbelzinnig dat een inreisverbod voor onbepaalde tijd opgelegd kan worden aan een derdelander in onwettig verblijf waaraan een terugkeerbesluit uitgevaardigd werd op basis van het bestaan van een terroristische dreiging. Dit kan enkel indien er rekening gehouden wordt met individuele omstandigheden. De duur – of dit nu levenslang is of een beperkte termijn – moet nauwkeurig gemotiveerd bepaald worden. De lidstaten moeten wel de intrekking of schorsing overwegen en kunnen afzien van het opleggen van een inreisverbod. Een verbod voor onbepaalde tijd heeft geen gevolgen meer vanaf het moment waarop het niet langer noodzakelijk en evenredig is ten opzichte van het nagestreefde doel.

Ook het EHRM stelde dat een inreisverbod van onbepaalde duur in bepaalde gevallen opgelegd kan worden zonder dat dit per definitie het recht op privé- en gezinsleven (artikel 8 EVRM) schendt. Wel moet een proportionaliteitstoets gebeuren. In de casus van Al-Masudi oordeelde het EHRM dat een dergelijke toets uitgevoerd was en dat er adequate rechterlijke toetsing geweest was. Dat niet alle levenslange inreisverboden proportioneel zijn stelde het EHRM vast in Savran tegen Denemarken, waar het een schending van artikel 8 EVRM vaststelde.

Advies RvS: evenredigheidstoets nodig

De RvS gaf advies voordat het voormelde HvJ-arrest geveld werd. Op basis van de conclusie van de advocaat-generaal oordeelde de RvS dat het waarschijnlijk was dat een levenslang inreisverbod opgelegd kan worden, maar dat hierbij steeds rekening gehouden dient te worden met de ernst van de dreiging voor de openbare orde en de mogelijkheid die aan hem of haar geboren wordt om later de beperking van de duurtijd te vragen.

Om de evenredigheidstoets uit te voeren, moeten volgens de RvS rekening gehouden worden met het belang van het kind, het familie- en gezinsleven, de gezondheidstoestand van de betrokkene.

Ook kan de betrokkene steeds de opheffing of schorsing van het inreisverbod vragen om humanitaire redenen, al kan de aanvraag tot opschorting of opheffing om professionele of studieredenen nu ten vroegste na 20 jaar gevraagd worden.

De RvS waarschuwde dat de wet voldoende waarborgen moet bevatten om deze mogelijkheid van een levenslang inreisverbod geldig voor minderjarigen ouder dan 12 in te voeren. Volgens de wetgever is de opname van deze minderjarigen in de T.E.R.-databank uitgebreid gemotiveerd en het betreft hetzelfde risico voor de openbare orde. Bovendien bevat de wet garanties om te garanderen dat voldoende rekening gehouden wordt met onder andere het hoger belang van het kind.

De RvS gaf ook aan dat verduidelijkt moest worden hoe het feit dat iemand niet meer als ‘gevalideerde entiteit’ geregistreerd staat zich verhoudt tot het opleggen van het levenslang inreisverbod op basis van deze kwalificatie. In de Memorie van toelichting (MvT) werd als antwoord daarop gesteld dat het niet meer als gevalideerde entiteit geregistreerd staan geen impact heeft op het inreisverbod. Een dergelijke schrapping betekent niet dat er geen gevaar meer zou zijn voor de openbare orde. Bovendien zou een opheffing van een inreisverbod geen automatische schrapping als gevalideerde entiteit inhouden. Wel zal bij de aanvraag tot opheffing van het inreisverbod rekening gehouden worden met een schrapping als gevalideerde entiteit.

Impact op de praktijk?

Er kunnen alsnog vragen gesteld worden of de mogelijkheid om een levenslang inreisverbod op te leggen een grote impact zal hebben in de praktijk. Er kan reeds een inreisverbod van zeer lange termijn opgelegd worden, aangezien de termijn in de oude wetgeving niet beperkt werd. In de praktijk worden er echter zelden inreisverboden van meer dan 20 jaar opgelegd. Wanneer er sprake is van openbare orde fluctueert de duurtijd doorgaans tussen de 8 en 20 jaren. De duurtijd begint hoe dan ook pas te lopen van zodra men de EU werkelijk verlaten heeft.

Ook kan een visum en/of de toegang tot het grondgebied geweigerd worden indien de betrokkene een bedreiging vormt. Eens men de Unie verlaten heeft, kan men geseind staan met het oog op weigering van de toegang (en verblijf) indien er redenen van openbare orde of nationale veiligheid zijn.

Daarnaast betekent het bestaan van een inreisverbod niet dat een visumaanvraag steeds geweigerd moet worden: zo kan men aan een persoon die na de afgifte van het inreisverbod familielid van een Unieburger geworden is (en onder toepassing van de burgerschapsrichtlijn valt), niet het verblijfsrecht weigeren op grond van dit inreisverbod. Men zal moeten aantonen dat de betrokkene nog steeds een gevaar vormt voor de openbare orde. Ook kan een andere lidstaat een verblijfsvergunning afgeven en moet vervolgens het inreisverbod ingetrokken worden. Wanneer er overigens sprake is van een bijzondere afhankelijkheid tussen een statische Belg en de derdelander met een inreisverbod, kan een verblijfsaanvraag beschouwd worden als een impliciete aanvraag tot opheffing en kan een verblijfsrecht verkregen worden rechtstreeks op grond van art. 20 VWEU, zodat het nuttig effect van het unieburgerschap niet in het gedrang komt. Deze overweging zal vooral van belang zijn wanneer het gaat om gezinshereniging tussen een ouder en diens minderjarig kind.

Ten slotte kan de vraag gesteld worden of de regeling voldoende transparant is om de brede impact in te schatten. Het lijkt niet vereist dat een persoon strafrechtelijk veroordeeld werd alvorens die een levenslang inreisverbod krijgt en de criteria om geregistreerd te worden in de T.E.R.-databank worden om begrijpelijke redenen niet breed uiteengezet (zo vermeldt de memorie van toelichting de ‘entité A’, wat verder niet toegelicht wordt in de wet van 30 april 2026, noch in de T.E.R.-wet). De omschrijving van het doelpubliek dat een levenslang inreisverbod kan krijgen is zo enigszins vaag. Het zou voor zover we weten ook kinderen kunnen betreffen die op jonge leeftijd geradicaliseerd geraken, maar vervolgens wel geschrapt zouden kunnen worden uit de databank. Een dergelijke schrapping zou niet leiden tot de intrekking van het inreisverbod. 

Mogelijk toekomst: het inreisverbod na de terugkeerverordening

In het voorstel voor een Terugkeerverordening dat goedgekeurd werd door het Europees parlement, maar nog niet gepubliceerd werd en dus nog niet in werking getreden is, wordt opnieuw gesteld dat de duurtijd van het inreisverbod bepaald moet worden op basis van de individuele omstandigheden (overweging 20, art. 10.6). Het inreisverbod geldt in principe maximaal voor 10 jaar (art. 10.6). Het kan ook voor maximum 20 jaar indien omstandig gemotiveerd wordt waarom dit nodig is om de binnenkomst van de betrokkene op het EU-grondgebied te voorkomen (art. 10.6) en kan ook levenslang zijn (overweging 22). De termijn begint te lopen vanaf de datum waarop de persoon aan wie het inreisverbod opgelegd werd het grondgebied van de EU verlaten heeft (art. 10.8). 

Nadat de betrokkene aangetoond heeft dat hij of zij vrijwillig teruggekeerd is, kan een intrekking, schorsing of inkorting van de termijn gebeuren. Dit kan tevens om humanitaire redenen in individuele gevallen. Een gemotiveerde aanvraag tot intrekking, schorsing of inkorting kan gedaan worden na terugkeer. Indien het inreisverbod afgegeven was met een duurtijd van meer dan 10 jaar, mag er 10 jaar na vertrek een intrekking, schorsing of inkorting van het inreisverbod gevraagd worden. Ook hierbij moet rekening gehouden worden met de individuele omstandigheden, alsook of de betrokkene een veiligheidsrisico vormt in de zin van art. 16 van het voorstel voor een Terugkeerverordening. Daarnaast moet in dat geval rekening gehouden worden met of het inreisverbod noodzakelijk is om de binnenkomst te voorkomen (art. 11).